Wat we met werk verdienen, dat ‘verdienen’ we ook (wat we geloven 9)

De belangrijkste van de verschillende dagelijkse rollen van een individu binnen zijn verschillende maatschappelijke netwerken vormt zijn of haar Werk binnen een economisch systeem van private ondernemingen en vrije markten.

Werk heeft in Noordwest Europa een andere geloofslading dan in Zuid- en Oost Europa. Vanuit onze protestants-christelijke achtergrond is werk je dagelijkse plicht, (in het zweet van je aanschijns), je moet nuttig bezig zijn, je eigen brood verdienen, productief zijn. Want ledigheid is des duivels oor kussen.

Progressief ideologisch moet ook een vrouw economisch zelfstandig zijn en dus werken. Parttime werk voor vrouwen wordt afgekeurd omdat het een echte carrièreontwikkeling hindert. Kinderopvang dient in deze soelaas te bieden. Zo nodig moeten beide partners dan maar parttime werken. 

Vanuit de neoliberale achtergrond is de druk op economisch maatschappelijk productief actief zijn de afgelopen jaren een stuk groter geworden. De sociaaldemocratische vangnetten van bijstand en zorg zijn fors ingekrompen. Wie kan werken moet werken. Zorg en bijstand moeten maar verleend worden door familie en buren. De overheid springt alleen bij als het niet anders kan op basis van je ingeschatte arbeidsvermogen.

Het kapitalisme heeft op het gebied van verdienen  en ‘verdienen’ (1) alle remmen los gegooid. Wie succesvol is mag bijna eindeloos veel malen meer verdienen dan de middelmatigen. De economische ongelijkheid qua inkomen en vermogen neemt in die zin de laatste jaren sterk toe. In de tegenwoordig economische wereld van monopolistische marktposities, financiële kracht en politieke steun, hebben managers zichzelf daarmee een vrijbrief verschaft ten aanzien van hun eigen verdiensten als ze na succesvolle persoonlijke concurrentie op het pluche zijn aangekomen. Dit geldt ook voor de dienstverleners om hen heen: hun eerstelijns managers, de lobbyisten, de advocaten, accountants, medici etc. Ze hebben er naar hun mening allemaal recht op.

Dat beeld is doorgesijpeld naar de middenklassen. Qua werk en inkomen is nu sprake van winnaars en verliezers. Wie het hardste kan lopen verdient de prijs, die heeft de concurrentie achter zich gelaten. Wie zich een maatschappelijke positie en een goed inkomen heeft verworven, heeft dat zelf voor elkaar gekregen. De verliezers hebben het aan slechts zichzelf te wijten. Men heeft zijn sociaaleconomische positie bereikt op basis op zijn of haar verdiensten (merites). Zij vormen de nieuwe aristocratische klasse.

Het is een uitermate egocentrische visie die geen rekening houdt met ongelijke verdeling in de sociaaleconomisch vaak – geprivilegieerde -achtergrond van de ouders en hun netwerken, met ongelijkheid in talenten, kansen en omstandigheden. En de factor toeval en geluk die vaak een grote rol speelt. De beroemde filosoof John Rawls schreef in 1971 ‘a Theory of Justice’, een beschouwing over sociale rechtvaardigheid. Overtuigend toonde hij aan dat een ‘winner takes all’ houding niet te rechtvaardigen is zonder rekening te houden met de niet-winnaars. Speel zijn spel met ‘de sluier van onwetendheid’ maar eens en je beseft onmiddellijk waarom er in de sociale lagen onder de mediane inkomens zoveel afkeer tegen de ‘elite’ bestaat.(2). Juist daar moet je nu ook concurreren, maar wel om relatief laagwaardig werk met een laag inkomen. Juist daar is echt sprake van neerbuigende discriminatie.        

Hetzelfde principe geldt ook voor de bestuurstechnocraten. Ze verdienen dan wel geen kapitale bedragen, maar in plaats daarvan hebben ze macht. Ze hebben het recht verworven om de minder succesvolle andere burgers te besturen, te beoordelen en beslissingen over hen te nemen. Plannen te maken achter bureaus en schermen, die anderen maar moeten uitvoeren. Regels te stellen waaraan anderen zich maar moeten houden.

Het is daarnaast opmerkelijk hoe in nog geen 25 jaar de Amerikaanse hiërarchische bestuurscultuur ook in Nederland is doorgedrongen: succesvol zijn, betekent letterlijk de baas zijn en de baas spelen. De minder succesvolle burgers zijn nu eenvoudigweg de in te zetten arbeidsmiddelen voor de succesvollere burgers geworden. En als er geen burgers beschikbaar zijn voor laagwaardig werk, dan zijn er nog altijd voldoende arbeidsmigranten via schimmige uitzendbureautjes.

Waarom noemde ik in het begin de protestants achtergronden van Noord Europa? Omdat in Zuid Europa de meritocratie nog niet echt is doorgedrongen. Werk heeft daar geen ideologische lading. Werk is iets wat je doet voor je brood, om je familie (in uitgebreide zin)  te ondersteunen. Want geen werk betekent, zoals nu tijdens de pandemie, voor velen domweg honger lijden. Werk is een aantal uren per week, maar wel heel veel uren en lange dagen (6 dagen is beslist geen uitzondering). Werk is een beroep. Arbeidsproductiviteit speelt maar een beperkte rol. Voor hoge posities binnen bedrijf of overheid ben je nog altijd – net als honderd jaar geleden – afhankelijk van het netwerk van je familie. Nepotisme viert nog altijd hoogtij (trouwens overal ter wereld). En hoe hoger je functie hoe minder je feitelijk hoeft te werken en hoe meer je je dagelijks binnen je kringen met anderen op je werk mag verpozen. Daar tijdens een lange lunch. In Nederland via eindeloze vergaderingen.

In Oost Europa is door 50 jaar communisme iedere maatschappelijke moraliteit verdwenen. De machthebbers zijn net als de communisten vóór hen, door en door corrupt. Voor werk en opbouw van vermogen moet je in West Europa zijn om met het verdiende geld in eigen land een leven op te bouwen in en rond je uitgebreide familie. Arbeidsmigranten dus, waar we allemaal graag in het geheim gebruik van maken, als werkster, loodgieter, aardbeienplukker of kippenslachter.

(1) Het Engelse ‘earn’ tegenover ‘deserve’

(2) Lees over de uitwassen van de meritocratie het boek van Michael Sandel  ‘De tirannie van verdienste’, gepubliceerd in 2020.

Mensen hebben rechten (wat we geloven 8)

Hoe vaak wordt door mensen in allerlei persoonlijke en maatschappelijke discussies wel niet aangegeven dat ze rechten hebben, recht hebben op.., dat hun rechten worden geschonden, dat ze niet krijgen waar ze recht op hebben, dat ze naar de rechter zullen gaan om hun recht te halen. Enerzijds kan daarmee bedoeld worden dat ze door anderen niet rechtvaardig behandeld worden. Maar meestal is de klacht gericht tegen de overheid die hun rechten als burgers schendt.

Vaak wordt dan vergeten dat je helemaal geen rechten hebt, tenzij een ander je die rechten heeft verleend én die ander bereid en in staat is die rechten ook de facto te verwezenlijken.

Een goed voorbeeld is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948, welke tot stand kwam via de Verenigde Naties. Bijna alle landen ter wereld tekenden destijds die verklaring. Maar overal ter wereld vinden dagelijks de meest grove schendingen plaats van Mensenrechten, omdat landen:

  • niet van plan zijn zich ook maar iets gelegen laten liggen aan dit internationale verdrag als dit strijdig wordt geacht met het nationale belang of het belang van de machthebbers (bijv. China, Rusland of Turkije);
  • deze rechten feitelijk niet willen toekennen (Midden-Oosten  – vrouwen)
  • Bestuurlijk simpelweg niet in staat zijn die rechten in de praktijk te garanderen (bijv. in Mexico);
  • die rechten wel erkennen, maar in de praktijk om politieke redenen die rechten ondergraven (Europa – vluchtelingen).

Zelfs in een klein land als Nederland is recht hebben zeker nog niet recht verkrijgen. Rechten worden ons door de overheid wettelijk verleend, maar dat betekent nog niet dat die rechten ook in de praktijk zullen worden gerealiseerd (bijv. recht op wonen), dat wordt uiteindelijk toch politiek bepaald. We kunnen bij geschillen recht hebben op een gang naar de rechter, maar in de praktijk kan ons dat financieel onmogelijk worden gemaakt door hoge kosten van advocaten. We kunnen recht hebben op vrijheid, maar tijdens een noodsituatie kan een overheid die vrijheid niet meer garanderen.

En dan is er nog de sociale gemeenschap zelf. Je kunt wettelijke rechten hebben (bijv. geen overlast van je buren). Maar het realiseren van dat recht tegenover een andere burger kan een schier onmogelijke taak zijn, zelfs via de rechter. Tegenover een groot bedrijf sta je met je rechten als burger meestal machteloos.

Iets wat de laatste jaren steeds meer optreedt, is dat ‘rechten’ van burgers  onderling strijdig zijn. De vrijheid van vereniging en vergadering kan strijdig zijn met de bescherming van de burger (criminele motorclubs) of van de democratie (neonazi’s). De vrijheid van onderwijs kan strijdig zijn met de rechten van het kind op een brede maatschappelijke ontwikkeling. De vrijheid van religie kan strijdig zijn met het algemeen belang van de volksgezondheid (vaccineren).

Het meest in het oog springend is het recht op de vrijheid van meningsuiting Tegenwoordig ontbreekt het volledig aan enigerlei moraal over onderlinge omgang in de publieke ruimte, waar internet een belangrijk onderdeel van is geworden. Relatief anoniem kun je onder het kopje ‘mening’ anderen voorliegen, bedriegen, beschimpen, belasteren en beschuldigen, hetgeen in de openbare fysieke ruimte of face to face nooit zou gebeuren. Het recht op ‘onschuldig, tenzij’ wordt inmiddels vaak op groffe wijze geweld aan gedaan, zeker door de virale zwermen op internet die wel klokken hebben horen luiden, maar…. Dit alles onder het motto: waar rook is, is vuur. Een vorm van animale primitiviteit, die we in de geschiedenis nog niet eerder in deze massale vorm zijn tegengekomen. Als goedwillende burger kun je niet anders dan daar ver bij uit de buurt blijven om zelf geen roedel internet hyena’s achter je aan te krijgen.     

We willen vrij zijn, maar wel met rechten. We willen individuele autonomie én rechten die anderen ons moeten verlenen. De nadruk op je rechten en op rechten in het algemeen leiden veelal tot grote frustratie en gevoelens van slachtofferschap. Je stelt je daarmee wel uiterst afhankelijk op van die ander, het bedrijf of de overheid en verliest je zelfstandigheid. Het is altijd beter realistisch de feitelijke situatie te beoordelen en in te schatten of en hoe je je ‘rechten’ ook feitelijk kunt realiseren en anders maar gewoon doorgaan met je leven.

We zijn allemaal authentieke individuen – vervolg (wat we geloven 7)

Wij zijn niet ons brein. Ons bewustzijn is niet eens beperkt tot ons brein, maar verspreid over ons hele lichaam. De beweringen van wetenschappers als Dick Schwaab staan verre van enige werkelijkheid,  ook al kun je er wel leuk boekjes mee verkopen. Kennisverwerving aan de randen van de huidige wetenschappelijke kennis is vele malen complexer dan populaire wetenschappers ons vertellen. We weten niet wat we niet kunnen weten door ons beperkte kenvermogen. We weten niet waarom er ooit een oerknal was. We weten niet hoe uit dode materie leven ontstond. We weten niet hoe in dierlijke breinen bewustzijn ontstond.

We kunnen wel enigszins speculeren op basis van allerlei soorten onderzoek, zoals de beroemde Portugees-Amerikaanse neurowetenschapper Antonio Damasio al jaren doet (1). Enigszins plastisch kun je stellen dat er veel verschillende bewustzijns-lagen als gestapelde en door elkaar heen interactief werkende softwareprogramma’s in het neurologische netwerk van ons lichaam functioneren. Ons brein verschaft de functies van taal en tijd, ruimte, oorzaak en gevolg en abstracte beeldvorming en werkt met verschillende soorten geheugens.

Een van die geheugens is het ‘autobiografisch geheugen‘. Het is het dag en nacht doorgaande en steeds weer bijgestelde verhaal van wie we waren, wie we nu zijn en waar we naar toe denken te gaan. Dit geheugen heeft als belangrijkste functie ons als persoon al reagerend stabiliteit te verlenen in de enorme wirwar van signalen uit het lichaam, zintuigelijke waarnemingen uit de omgeving en tijdens interacties met anderen. Het vormt ons permanente referentiekader.

Dat referentiekader is dus niet een ‘Zelf’, maar een eindeloos doorlopend verhaal. Een Zelf als authentieke kern is eerder een oud Middeleeuwse opvatting over de kern van het bewustzijn, de homunculus. Volgens de filosoof Descartes zetelde die in de pijnappelklier.

Hoe ontstaat dat autobiografische verhaal over het Zelf? Door persoonlijke interpretatie van de eigen ervaringen, van het eigen gedrag, van het gedrag van anderen en door interacties met anderen. Ons diepe onderbewuste wordt daarbij allereerst gestuurd door de genen van onze voorouders. Wil je weten wie je bent: kijk dan allereerst naar de persoonlijkheden en het gedrag van je ouders, je grootouders en andere directe familie. Zij bepaalden onze potentiele talenten en ons temperament. Als kind wordt ons verhaal vooral bepaald door voorbeeldgedrag van ouders, andere kinderen en andere volwassen mensen om ons heen: observeren, luisteren, interpreteren en reageren. Onderwijs biedt ons de tools om de werkelijkheid om ons heen talig en berekenend te benoemen. Als puber zijn we totaal gericht op de peergroep waar we deel van uitmaken. Keer op keer wordt het verhaal over het Zelf verder uitgewerkt of bijgesteld. En zo rond je twintigste ontstaat een patroon van vaste denkwijzen en gedragingen. Naarmate die vastigheid zich dieper in je bewustzijn ingraaft kun je spreken van je karakter.

Er bestaat dus geen oorspronkelijk authentiek zelf, maar slechts een persoon die door zijn genetische kenmerken en de invloeden van opvoeding en de omgeving tijdens zijn ontwikkeling zo rond zijn twintigste opeens zelfbewust in de wereld staat (of zoals de Franse existentialisten stelden: zich opeens in de wereld geworpen zag). 

De mythe van het authentieke individu heeft grote invloed gehad op opvoeding en onderwijs van de jongste generaties. En in veel opzichten zeker niet ten goede. Het heeft een inflaterend effect gehad op het ego van jongere mensen, een volstrekte overfocus op het eigen zijn en de eigen momentane begeerten. We hebben ze niet meer geleerd (getraind) wat een mens nodig heeft om zelfstandig een volwassen leven samen met anderen te leiden op basis van klassieke basiswaarden als persoonlijke integriteit, eigen kracht, gezond verstand, matigheid in verlangens en verwachtingen en respect /rechtvaardigheid voor anderen.

(1) Zie schema Damasio uit een eerder artikel. Link.

We zijn allemaal authentieke individuen (wat we geloven 7)

Van de vroege geschiedenis tot de romantische rebellie van de jaren zestig in de vorige eeuw was maatschappelijk geen sprake van individualiteit, in de zin dat iedereen als persoon een specifieke maatschappelijke erkenning vroeg voor zijn of haar bestaan als persoon. Een specifiek individu was je slechts tussen je familie en je vrienden.  Je hoorde als persoon automatisch bij een maatschappelijke groep qua werk, opleiding, geloofsrichting, dorp, stad etc. Je was vrouw van.., kind van.. Je status werd bepaald door je maatschappelijke klasse. Als je op de universiteit had gezeten en Drs. voor je naam mocht zetten had je automatisch meer gezag.

De jaren zestig vormden de opmaat voor een verdere focus op het persoonlijke individuele in de jaren zeventig. Jongeren gingen massaal in therapie. Transactionele  analyse (I am ok, you are ok), Gestalt Therapie, Fort (radicaal feministische therapie) etc. Dit waren de jaren van de emancipatie van het persoonlijke individu zou je kunnen stellen.

De feitelijke maatschappelijke emancipatie van de vrouw (via onderwijs en werk) in de jaren tachtig van de vorige eeuw leidde binnen de economie naar een beweging tot maatschappelijke individualisering. Niet meer de man, niet meer het gezin, maar de individuen (eventueel in een gezamenlijke huishouding) werden afzonderlijk gezien als economische eenheden. De politiek sloot zich hier bij aan. In een vloed van wetsontwerpen werden de maatschappelijke rechten en plichten geïndividualiseerd, o.a. individuele belasting- en pensioenheffingen (binnen gezinnen samen wel hoger dan voorheen natuurlijk..). Werkgevers zagen kansen vrouwen als nieuwe goedkope arbeidsbronnen aan te boren. De commercie kon het aantal doelen voor reclame verdubbelen. Het wrange economische feit is echter wel dat de materiele welvaart van traditionele man/vrouw huishoudens nu met twee werkenden niet veel hoger is dan in 1980, toen veelal nog sprake was van kostwinnende mannen. Als je partner toen ook werkte, had je een luxueus leven. 

De filosofische Romantische beweging kreeg door de individualisering een extra stimulans. Vrouwelijke waarden (zoals bijv. conflictmijding, empathie, non-agressief gedrag) begonnen een steeds grotere rol te spelen, met name in de Opvoeding en het Onderwijs, de Zorg en bijvoorbeeld de Rechtspraak. Het Romantische beeld van de grote Liefde, de monogame relatie en het Huwelijk bleven echter volop bestaan. Ondanks de dappere verdediging van hun ‘lifestyle’ lijken de vele alleengaanden in de huidige tijd niet echt los te kunnen komen van het biologisch/culturele patroon dat in onze menselijke genen is opgeslagen, getuige de enorme datingcultuur op internet.  

Het ‘authentieke’ individu ontstond pas in de jaren negentig via spirituele New Age achtige bewegingen. Het individu was maatschappelijk al los gemaakt van zijn maatschappelijke groepen. Nu moest hij of zij zichzelf nog ontdekken en op eigen authentieke fundamenten zijn of haar leven vorm gaan geven (1). Deze beweging heeft in de optimistische jaren negentig – na de val van de muur in 1989 – een enorme invloed gehad op de opvoeding van jonge kinderen en pubers door ouders, alsmede op het onderwijs. De kinderen moesten zelf ontdekken, zelf ontwikkelen, zelf leren op basis van hun authenticiteit. Opvoedproblemen werden geweten aan verstoorde ontwikkeling en sedertdien specialistisch gemedicaliseerd. 

Dat we allemaal unieke individuen zijn, daarover bestaat geen twijfel, ook al hebben we biologisch volstrekt dezelfde bouw. Dat we individuen zijn met een  authentieke kern, die we moeten ontdekken en daarna op basis daarvan pas een gelukkig leven kunnen ontwikkelen, is als regelrechte onzin  te bestempelen. Er zijn weinig argumenten die een dergelijke stelling rechtvaardigen, daarvoor is het menselijk bewustzijn biologisch veel te gecompliceerd, vele malen complexer dan al die simpele schemaatjes, als boven aan dit artikel. Zie het vervolg.

(1) E was in de jaren negentig publiekelijk nog geen sprake van de verschillende genderidentiteiten lhbtiq+

Wij moderne mensen zijn heel anders dan mensen van vroeger (wat we geloven 6)

De eerste mensachtigen ontstonden al enige miljoenen jaren geleden. Onze soort, homo sapiens, naar we nu weten rond 150.000 jaar geleden. Bij een generatietijd van 20 jaar, betekent dit dat er sedertdien circa 7.500 generaties mensen elkaar hebben opgevolgd. Even ter vergelijking: tussen ons en de oude Grieken van 500 voor Christus zijn dat ‘slechts’ circa 130 generaties.

Waarom deze getallen? Omdat bij iedere beschouwing over de mens duidelijk moet blijven dat de recente moderne Europese mens van na de Tweede Wereldoorlog miljoenen jaren biologische evolutie, meer dan honderdduizend jaar culturele ontwikkeling en meer dan 2500 jaar maatschappelijke ontwikkeling achter de rug heeft. Die biologische en culturele ontwikkelingen zijn diep ingekerfd in onze genen.

Mensen zijn sociale groepsdieren met een uiterst verfijnd gevoel (gebaseerd op onderliggende fysieke emoties) voor onderlinge verhoudingen binnen de groep. Aanvankelijk was die groep niet erg groot, omdat ze rondzwervend al jagend en plukkend dagelijks in hun onderhoud moesten voorzien, circa 20 – 50 personen. Pas circa 12.000 jaar geleden ontwikkelde zich de landbouw en daarmee vaste woonplaatsen. Vanuit de menselijke biologische evolutie gezien is dat maar een uiterst korte periode: onze genetica, onze lichamen en onze emotionele bedrading, zijn nog altijd die van die van de kleine zwervende groepen mensen.

In ‘the Goodness paradox’ beschrijft Richard Wrangham de laatste wetenschappelijke stand van antropologisch onderzoek naar de leefwijze van onze jagende en verzamelende voorouders. Hij beschrijft hoe er in die kleine groepen sprake was van:

  • het overheersende belang van eenheid binnen de groep voor de overleving van een ieder;
  • volstrekte gelijkheid tussen mannen en vrouwen, ook in de zorg;
  • een bijna stilzwijgende sociale controle: de regels voor de onderlinge omgang  waren volstrekt duidelijk, overtredingen werden nauwelijks getolereerd en leidden tot gevoelens van verlegenheid en schaamte;
  • weinig passieve agressie onderling;
  • een vanzelfsprekende taakverdeling tussen mannen en vrouwen op fysieke kracht en verfijnde motoriek, alsmede tussen maken(gereedschap) en zorg (geneeskunde);
  • volstrekte monogamie, immers buitenechtelijke relaties waren te bedreigend voor de eenheid van de groep (al zal er best wel eens een stiekem nummertje gemaakt zijn);
  • opvoeding van kinderen alleen door voorbeeldgedrag; zorg voor de kinderen vanzelfsprekend door de hele groep;
  • absoluut respect voor de oudere leden van de groep, die de meeste overlevingservaring hadden, en automatisch een zwaardere stem hadden in groepsbeslissingen;
  • Gemeenschappelijk gedeelde ‘waarheden’: dat wat zichzelf bewezen had als goede overtuiging;
  • harde dodelijke geplande agressie door mannen, maar alleen af en toe gericht op leden van andere groepen: wij versus zij.

De tien geboden van de bijbel (meer dan 3000 jaar geleden vastgelegd) geven een goed beeld van de regels in die kleine rondtrekkende clans, behalve die over God, want mensen waren in die tijd animistisch: de geesten van de wereld woonden rondom hen.

He leven in die tijd was om met de filosoof Thomas Hobbes te spreken: ‘poor, nasty, brutish, and short’. Maar het leven was ook goed en feestelijk. Er werd maar een relatief klein gedeelte van de tijd ‘gewerkt’. Werk in het zweet uw aanschijns werd pas de regel in de vaste woonplaatsen rond de landbouw. Toen ontstond voor het eerst een heersende klasse gebaseerd op grondbezit, geweld en dwang.  

Door de geschiedenis heen vinden we volgens de fameuze sociaal psycholoog Jonathan Haidt overal op aarde de algemene menselijke waarden, die nog terug te voeren zijn op het leven in die kleine groepen:

  1. Autoriteit. Gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de Groep, aan God of een ander gezag dat boven ons gesteld is.
  2. Loyaliteit aan gezin, familie en de groep waar een mens deel van uitmaakt.
  3. Rechtvaardigheid. Ieder heeft recht op het zijne, op zijn of haar leven, op een waardige behandeling, op een aandeel in de samenleving.
  4. Zorg voor de ander. Empathie. Gastvrij voor vreemden.
  5. Respect voor de wijsheid van ouderen.
  6. Heiligheid. Het onaantastbare. Dat wat niet ter discussie mag staan. Traditie. Dat wat we gezamenlijk beleven als het hogere.

En dus vormde het aan die waarden gerelateerde kwaad: de ondermijning van de groep of het gezag, verraad naar de familie en de groep, bedrog en machtsmisbruik, gebrek aan medeleven en gastvrijheid, gebrek aan respect en ontheiliging van het heilige.

Waarom dit betoog? De vraag is of wij als moderne mensen werkelijk zoveel verschillen van mensen 12.000 jaar geleden. Tot ver in de twintigste eeuw was geen sprake van individualisme. We waren een persoon die bij een bepaalde groep hoorde.

Wellicht zijn we door onze huidige bewuste overtuigingen wel ver afgedreven van wat als mens in ons onderbewustzijn via onze genen is ingebouwd. En vormt dat onderdeel van de altijd weer dubbelzinnige of zelfs gespleten identiteit van de moderne Europese mens.

We leven in een democratische rechtsstaat (wat we geloven 5)

Voor de meeste burgers in Nederland is het vanzelfsprekend dat we in een democratische rechtsstaat leven. Ze beseffen zich vaak niet dat het huidige systeem nog geen 40 jaar bestaat!

Even wat voorbeelden: nog maar honderd jaar geleden was het systeem niet gebaseerd op algemeen kiesrecht voor alle burgers, vrouwen waren uitgesloten. Ook was er geen systeem van grondwettelijke rechten. Tot 1957 waren vrouwen handelingsonbekwaam, zakelijk gezien onderdanig aan het hoofd van de huishouding, de man. Tot 1970 was het in het huwelijk treden een rechtmatige reden om een vrouw te ontslaan. Pas in 1983 werden alle grondrechten van burgers formeel in de Nederlandse grondwet vastgelegd (inclusief de bepalingen van het Europese verdrag voor de rechten van de mens). Een grondwettelijke non-discriminatiebepaling naar seksuele gerichtheid of arbeidshandicap is nog steeds in behandeling.

In de hele wereld staan de democratische rechtsstaten zwaar onder druk. Feitelijk is nog maar sprake van circa 15 landen in Europa en een paar landen buiten Europa, zoals Canada, Australië en Nieuw Zeeland waar sprake is van een functionerende democratische rechtsstaat. Maar zelfs in deze landen, ook in Nederland, is sprake van dagelijkse ondermijning van de scheiding der machten. Dat gebeurt in Nederland door vele burgers door financiële maatregelen feitelijk hun rechten te ontnemen, bijvoorbeeld toegang tot de Rechtsspraak. Door kadaverdiscipline in politieke fracties die aanbevelingen van Hoge Colleges van Staat (Raad van State, Ombudsman) bijna automatisch verwerpen. Door financiële inperking van Gemeenten aan wie wel basis overheidstaken werden overgedragen (Jeugdzorg, Ouderenzorg). Door het overdragen van bevoegdheden van Gemeenten aan democratisch nauwelijks controleerbare Regionale overheidsorganen. Door inperking van de mogelijkheden van sociale woningbouw. Door privatisering (Verpleeghuiszorg). Noem maar op.

De lopende discussie over de rolverdeling tussen Regering en Tweede Kamer verhult dat de afgelopen 10-15 jaar sprake is van enorme machtsconcentratie bij kleine groepen bestuurders, die als een soort directie de onderdelen van het nationale bestuur op afstand aansturen, zoals bij een bedrijf. Die bestuurders werken slechts binnen strakke regeerprogramma’s met harde financiële kaders. Ze staan daarbij onder hoge druk van de zakelijke belangen van private ondernemingen. Het 24 uurs oorverdovende lawaai van de (sociale) media dwingt de aandacht van de politici naar de zeer korte termijn, tot het marketen van politieke schijnbeelden en het nemen van schijnmaatregelen .

Verkiezingen spelen hierbij wel een rol, maar niet meer dan een verplichte tussenstop. ‘Het land moet bestuurd worden’  en de verschillende politieke facties moeten wel tot een compromis komen zonder ondergraven te worden door politieke eenlingen als kamerlid Omtzigt. In andere democratische landen gaat het net zo. De twee grootste democratieën ter wereld kun je zelfs met de beste wil ter wereld al niet democratisch meer noemen ( Amerika: speelbal geworden van de door zakelijke belangen gesteunde en betaalde Republikeinen, India etnisch ondergraven door een Hindoestaanse volksideologie).

De weinige democratische rechtsstaten die er nog bestaan zijn overal aan het afkalven. Politieke machtsbelangen (bijv.  De nationalisten in Hongarije en Polen) en economische belangen (bijv. Engeland: Brexit) ondergraven systematisch dag in dag uit haar fundamenten. We geloven dus in een democratische rechtsstaat te leven, maar beseffen niet dat die al meer dan een decennium sterk aan het afkalven is. De belangrijkste factor daarvoor vormen het belangen-gestuurde leiderschap van de politieke partijen en de politieke en technocratische neoliberale visies van het ondersteunende ambtenaren apparaat op alle bestuurlijke niveaus.      

Die afkalving wordt mede veroorzaakt door het versplinteren van de kiezerspopulatie mede door de commerciële klikzucht van de media en al die individuen die gehoord willen worden. De agressiviteit van populistisch rechts, de opjagende focus van de progressieven op gelijkheid en slachtofferschap, maar vooral de behoudende bezitszucht van liberalen en conservatieven, die geen verantwoordelijkheid wensen te nemen voor de vele toekomstige bedreigingen, waaronder die van onze leefomgeving.

Wantrouwen en particuliere belangen staan tegenover een parlementair systeem dat op veel fronten uiterst onbetrouwbaar is geworden. De fundamentele principes van voorbeeldig democratisch politiek leiderschap – Belangeloos, Integer, Eerlijk, Open, Objectief en Aansprakelijk – worden dagelijks met voeten getreden. De toeslagenaffaire toont aan dat het merendeel van de kiezers hier inmiddels aan gewend is. Geen politicus die hiervoor nog door de kiezers werd afgestraft.

We leven nog steeds in een democratisch systeem. Maar het systeem functioneert ronduit slecht. Het is overduidelijk dat de huidige generatie bestuurders, politici en ambtenaren niet in staat zal zijn de zich langzaam voltrekkende ramp in onze leefomgeving adequaat aan te pakken. Die les moeten we tijdens de nog lang niet afgelopen Corona pandemie toch wel hebben geleerd.