Nog één keer Tjeenk Willink over de afbrokkelende democratie

De éminence grise van het Nederlandse politieke bestel vindt dat hij op zijn negenenzeventigste nu zo ongeveer alles wel gezegd heeft over de afbrokkelende democratie in Nederland. Hij spreekt nog een keer met NRC journalisten. Voor het laatst?

Tjeenk Willink: ‘De politiek is niet bij machte op eigen kracht te veranderen’

Waarom wij niet van vreemd houden (2)

Naast een biologisch-immuunsysteem bestaat een gedrags-immuunysteem (GIS). Dat GIS doet voorspellingen over de aanwezigheid van verwekkers van infectieziekten in zijn omgeving. En die voorspellingen gaan gepaard met emotionele, denk- en gedragsmatige vermijdingsreacties. 

Een complicatie bij beide immuunsystemen is dat ze soms gevaarlijke overshootreacties kunnen vertonen: better safe than sorry! Die overshoot aan emotionele angst- en walgingsreacties toont zich het meest opvallend in talloze zeer hardnekkige fobieën. Fobieën voor een bepaald voedsel, bloed, naalden/ scherpe voorwerpen, braken, spinnen, slangen, ratten, die bewust of onbewust geassocieerd zijn met besmettingsgevaar. Obsessies met viezigheid (smetvrees), hygiëne (veel wassen en schoonmaken), gezondheid (hypochondrie), seks (angst voor SOA’s en bloedcontaminatie), het eigen gezichtsuiterlijk (100x in de spiegel kijken), e.a. zijn op te vatten als overshootreacties van besmettingsangst.  

Ook de persoonlijkheid kan aangetast worden. Zo blijkt uit onderzoek dat er een verband bestaat tussen de gevoeligheid voor besmettingsangst en de mate van zorgvuldigheid, ordelijkheid, netheid (*). Ook mensen met een dwangmatige persoonlijkheid (Obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis) of een specifieke angststoornis (smetvrees bij een Obsessieve-compulsieve stoornis) zou men kunnen zien als zeer gevoelig voor besmettingsangst. 

Voor zover op grotere schaal, op cultuurniveau, ‘de ander’, ‘de vreemde’, de niet behorend tot de eigen ingroup, onderwerp van besmettingsangst was in vroeger tijden, toonde zich dat zich in xenofobie, racisme, etnocentrisme. De evolutionaire fenomenen daarvan bestaan in moderne tijden nog steeds, vooral in niet-Westerse landen die verschillende etnische volkeren en culturen huisvesten. Ook in Westerse landen is de angst voor vreemden niet weggenomen, om allerlei redenen, maar het is beslist onwaarschijnlijk dat een tienduizenden jaren bestaand functioneel GIS in korte tijd (100jaar?) uit onze genen is weggeselecteerd, ook al heeft het in onze moderne tijd, althans in het Westen, niet meer een evolutionaire adaptieve functie. Het is ook niet onwaarschijnlijk dat genderdiscriminatie, stigmatisering en stereotypering van bepaalde bevolkingsgroepen, zoals Zigeuners, geestelijk en lichamelijk gehandicapten, achterbuurters, daklozen, e.a. samenhangen met het GIS.

Verder is er de laatste jaren nogal wat empirisch en cross-cultureel onderzoek gedaan naar het verband tussen (infectie)ziektevrees en de neiging tot conformistisch gedrag en het aanhangen van conservatieve waarden en ideologieën. De zgn. ‘Parasite Stress Theory’ (**) lijkt met vele slimme, voorspellende experimenten een bevestiging te geven dat onze persoonlijke smaak en voorkeuren, onze opvoedingsstijl, onze persoonlijkheid, morele besluitvorming en politieke affiniteit veel te maken hebben met een diepe evolutionaire besmettingsangst en een gedrags-immuun systeem dat zich diep in ons brein genesteld heeft. Vreemd is niet zo vreemd (***).

(*) Zorgvuldigheid is een stabiele karaktereigenschap, één van de BIG 5 persoonlijkheidsdimensies: emotionele stabiliteit, openheid, intro/extraversie, vriendelijkheid, zorgvuldigheid.

(**) Om dieper en genuanceerder in deze stof te duiken lees: ‘The Parasite Stress Theory of Values and Sociality’. R.Thornhill & C. Fincher; 2014. Zie ook UTube, onder ‘Behavioral Immune System’.

(***) Dat er in de evolutie een functioneel gedrags-immuunsysteem tegen besmettingsgevaar is ontstaan betekent natuurlijk niet dat daarmee xenofobie, rascisme, genderdiscriminatie, ed. heden ten dage gerechtvaardigd is. Integendeel, culturele aanpassingen bij snel veranderende leefomstandigheden (als gevolg van technologieontwikkelingen, migratie, klimaatverandering, e.d.) zijn juist wenselijk om overleving als individu en soort veilig te stellen. Onze gedragsbiologische evolutie verloopt nu eenmaal trager dan onze culturele evolutie; het gaat er om deze mismatch te begrijpen.

Waarom wij niet van vreemd houden (1)

Vreemd is datgene wat wij niet verwachten. Nu schijnt het volgens neurowetenschappers zo te zijn dat we geen directe zintuiglijke toegang tot de wereld buiten ons hebben, maar dat ons brein modellen van de zintuiglijke input maakt (zo ongeveer 150000 per dag), en zodra we iets vreemds waarnemen, iets dat afwijkt van het model (hé, dat hoort daar niet te liggen!) trekt het onze aandacht in een split second en gaan we er mee aan het werk (hoe kan dat hier nou komen?). 

We leven dus niet in de werkelijke werkelijkheid maar in de gemodelleerde werkelijkheid, of, als je het zo zou willen noemen, in een virtuele wereld, een geconstrueerde hallucinatie, een gecontroleerde droom. Gewoon, normaal, gebruikelijk, is dus datgene wat het model verwacht, voorspelt. Vreemd, raar, gek, is datgene wat afwijkt van het model, dus waar een nieuw model voor moet worden aangemaakt, dat vervolgens in het geheugen gestopt wordt zodat we het bij een volgende gelegenheid herkennen als een gecorrigeerd, bijgewerkt model van de werkelijkheid. Geniaal van dat brein (*)!

Dat modelmakende brein beschikt dus over een zeer selectief aandachtsgestuurd zintuiglijk waarnemingssysteem waarmee die werkelijkheidsmodellen worden gemaakt. Die werkelijkheidsmodellen zijn weer gekoppeld aan andere hersensystemen (motivatie-, emotionele, motorische systemen), zodat we met de uitkomst van die samenwerking iets kunnen: doelgericht handelen. Met dat hele proces van aandachtsgestuurde waarneming, werkelijkheidsmodellen maken en uiteindelijk doelgericht handelen kunnen we al duizenden jaren prima overleven: het zoeken van voedsel, beschutting en een geschikte partner, een vijand spotten, wakker worden van een huilende baby, etc. Dat aandachtsgestuurde waarnemingssyteem, etc., is op individueel niveau dus één groot geïntegreerd zoeksysteem dat ons doet overleven. Zoals de hele biologische evolutie ook één megagroot zoekmechanisme is om op populatieniveau de soort te doen overleven. 

Dat aandachtsgestuurd waarnemingssysteem is natuurlijk ook gericht op het spotten van gevaar. Heel goed te vergelijken met ons biologisch immuunsysteem dat onmiddellijk in werking komt als er gevaar is in de vorm van ziekteverwekkers: ‘foute’ bacteriën, parasieten, schimmels, gisten of virussen, die ons lijf binnendringen en levensbedreigende infectieziekten (**) kunnen veroorzaken. Omdat die verwekkers van infectieziekten overgebracht worden via voedsel (b.v. voedselvergiftigingen zoals hepatitis A, salmonella), water (b.v. dysenterie of cholera), dieren (b.v. rabiës, malaria), mensen (b.v. tbc, soa’s, influenza), ontstond het idee dat naast het biologische immuunsysteem ook een gedrags-immuunsysteem (GIS) moet bestaan dat besmetting door ziekteverwekkers probeert te voorspellen en voorkomen. Van dat gedrags-immuunsysteem is men zich maar zeer gedeeltelijk bewust, het is in onze genetische hardware ingebouwd en we merken de aanwezigheid ervan op, bijvoorbeeld via de emotie walging. Walging bij het zien van verrot voedsel, het ruiken van uitwerpselen, het proeven van een smerige smaak, het aanraken van schilferige en slijmerige oppervlakken, het horen van rochel- en brakende keelgeluiden, e.d. 

Maar het GIS gaat veel verder dan deze simpele, walgelijke zintuigervaringen. De evolutie bevoordeelde, oftewel selecteerde die organismen, dieren, en mensdieren die ‘besmetting’ enigszins konden voorspellen. Dat doet ze door het aandachts-waarnemingssysteem zo af te stellen dat alles wat ‘vreemd’ is aan de eigen leefgroep (de ingroup), sterk naar de voorgrond van de aandacht te trekken om daarmee ‘het vreemde’ te kunnen vermijden. Niet alleen alles wat er ziek uitziet, b.v. een vale, schilferige of bloederige huid, of anderszins afwijkend is, b.v. een schorre stem, mank lopen, scheelzien, een broodmagere of obese gestalte, maar ook alles wat zich ‘vreemd’ gedraagt wordt verdacht, en kan dus maar beter vermeden worden. Zeker als die lichamelijke afwijkingen, dat ‘zieke uiterlijk’ of dat ‘zieke gedrag’ opgemerkt wordt bij individuen die niet behoren bij de eigen bekende en vertrouwde ingroup (***). Dat maakt een outgroup dus al gauw ‘besmettingsgevaarlijk’.

De ingroup die zich houdt aan de strenge antibesmettings- gedragsregels, taboes en gewoontes rond ‘verdacht voedsel, giftige dieren, promiscue gedrag en besmettingsgevaarlijke outgroupmensen’, die kunnen zich relatief veilig voelen. Je hebt wel een religie nodig, religieuze wetten, om ‘antibesmettingsregels’ in een cultuur stevig te verankeren, streng te handhaven en verhalenderwijs van generatie op generatie over te dragen. Maar….ondanks de groeiende wetenschappelijke kennis m.b.t infectieziekten blijkt die rechtvaardiging voor religieuze spijs-, hygiëne-, seks-, gender- en etnocentrische wetten in het grootste gedeelte van de wereld nogal resistent te zijn tegen ‘voortschrijdende inzichten’ (****).

En wat betreft onze moderne westerse wereld met zijn voortschrijdende inzichten: please, zullen we het in dit verband maar even niet hebben over onze antivaxxers, complotdenkers en radicale veganisten?

Volgende keer in deel 2: Het GIS nestelt zich in fobieën, de persoonlijkheid, morele regels en politieke voorkeur.

 (*) Ook geniaal van het bijvoorbeeld het buizerdbrein dat met zijn modellen van de werkelijkheid naar een muis zoekt! Kortom: over wiens werkelijkheid hebben we het eigenlijk? Hoeveel werkelijkheden zijn er eigenlijk?

(**) Acht van de top-tien ziektes aller tijden zijn levensgevaarlijke infectieziekten die meestal epidemische vormen aannamen: pokken, mazelen, malaria, tbc, tyfus, pest, HIV, influenza, overgebracht door mens of dier.

(***) De jagers/verzamelaarsgroep bestond voor de landbouwrevolutie (20.000 v.C.) uit hooguit 150 leden (het zgn. Dunbar getal) die elkaar kenden. Na de landbouwrevolutie werd de bevolkingsdichtheid groter met als gevolg meer besmettingsgevaar.

(****) Ook het moderne ontzuilde westen kent vele mythische ‘besmettingsverhalen’ waarvan de immens populaire Netflixserie ‘The Walking Dead’ een sterk voorbeeld is: de overlevingsstrijd tussen post-apocalyptische groepen in een wereld vol dodelijk bijtende zombies. 

De Seksoorlog van de Taliban (2)

De Taliban-man mag zijn seksuele aandrang gewelddadig zonder consequenties loslaten op ‘onzedelijk geklede Moslimvrouwen’, op (vermeende) overspelige Moslimvrouwen, op Moslimvrouwen van de vijand en op alle ongelovige vrouwen. Wat de Westerling verkrachting, seksuele moord, eremoord, vrouwenmishandeling, pedofilie, polygamie en seksuele slavernij noemt is onder de Sharia aan de orde van de dag, de nachtmerrie van alle ‘foute vrouwen’. Voor de opvoedende Shariamoeders en hun vrouwelijke familie- en clanleden zit er niets anders op dan hun dochters zeer streng in de leer op te voeden om hen voor de psychische en fysieke ondergang te behoeden. En dat zullen ze zelfs moeten, op straffe van hun eigen ondergang.

De Taliban-man heeft alles te verliezen als hij de controle over de vrouwelijke seksualiteit verliest. En een vrijzinnige Moslimvrouw nog meer, ze moet voor haar leven, en het leven van haar dochters en familie vrezen als ze er niet in meegaat. De Taliban-man heeft alles te verliezen, want met het controleverlies over de vrouwelijke seksualiteit verliest hij ook zijn hiërarchische positie in zijn gezin, familie, stam, zijn traditionele identiteit en status, zijn politiek-religieuze machtspositie in het onderhandelingsveld met andere stammen. Een Afghaanse staat met een democratisch karakter voor hem een gruwel. 

Democratie, laat staan een scheiding van kerk en staat, wordt dus noodzakelijkerwijs de grootste vijand. Alles wat met een democratische bestuursvorm samenhangt evenzeer: vrouwenemancipatie door onderwijs, vrouwen in politieke, publieke, ondernemers- en journalistieke functies, etc. Jihad en Sharia zijn de politiek-religieuze middelen om de asymmetrische man-vrouw verhouding te consolideren. Maar onder dit alles liggen de Darwiniaanse wetten die de menselijke seksualiteit in biologische en culturele zin met zeer grote kracht aansturen. En die wetten zijn niet van religieuze, ideologische, politieke of economische aard, daar houdt de evolutie zich niet mee bezig, en daar kunnen bommen en granaten niet tegenop.

De Taliban kan zijn Jihad framen als een asymmetrische verdedigingsoorlog met conventionele wapens tegen een ongelovige Westerse bezetter, maar gaat daarbij volledig voorbij aan de dieperliggende biologisch-evolutionaire drivers achter hun Jihad: het behoud van de extreme controle over de vrouwelijke seksualiteit. Vandaar de titel van dit stuk: De Taliban voert een seksoorlog (*). 

De Westerse historici, politicologen, militairen, sociologen, antropologen, journalisten, politici, e.a. framen de Afghaanse situatie al naargelang hun eigen discipline gaan eveneens volledig voorbij aan het wellicht krachtigste onderliggende frame dat menselijk gedrag aanstuurt: de evolutionaire gedragsbiologie van de menselijke seksualiteit die zich cultureel manifesteert in de man-vrouw dynamiek.

Wat voor de Taliban geldt, gaat natuurlijk ook op voor andere Islamitisch-religieus fundamentalistische bewegingen in andere landen: IS, Al Quaida, Al Shabaab, Boko Haram, Ahlu-Sunnah Wa-Jama, e.a. die wanhopig alle extreme middelen aangrijpen om hun afschrikwekkende macht te financieren en uit te oefenen: (mensen)smokkel, gijzeling, belastingheffing, papaver- en drugshandel, marteling, ontvoering, onthoofding, kindsoldaten, zelfmoord- en andersoortige terreuraanslagen. En tel daarbij op de streng-Islamitische staten die in afgezwakte vorm dezelfde man-vrouw dynamiek laten zien: Iran, Pakistan, Saoedi-Arabië, en andere landen in het Midden-Oosten en Afrika.

De vraag is welke houding het Westen het best kan aannemen tegenover politiek-religieus fundamentalisme, van welke soort dan ook (**). Ik zou denken: allereerst begrijpen waarom democratie exporteren d.m.v. militaire, economische, technologische en zelfs nood- en humanitaire hulp niet heeft geholpen en niet zal helpen zo lang religieuze beliefsystems de asymmetrische man-vrouw verhouding met extreme machtsmiddelen consolideren. Alhoewel onderwijs, boeken, krantenartikelen, theaterstukken, films, muziekinstrumenten kortom een bredere cultuur aanreiken, zoals Erdal Balci in de Volkskrant (d.d.230821) voorstelt, een betere weg lijkt, zal dit paradoxaal werken omdat die weg nu juist niet halal is en zeker de vrouwen onder deze regimes eerder de kop zal kosten. 

Samengevat: als je met een politiek frame kijkt naar ‘het probleem Afghanistan’ dan zoek je de oplossing in interventies die zich ofwel richten op het bestrijden van terroristisch geweld (de lijn van de VS), of interventies die zich richten op een cultuuromslag die zou moeten leiden tot een meer democratische bestuursvorm (de lijn van de EU-landen en NGO’s), of allebei tegelijk. Het denken in een dergelijk politiek frame is, om de hierboven beschreven redenen, bij voorbaat gedoemd te mislukken omdat men fundamentalisme en terrorisme wel kan terugdringen maar niet uitroeien. Al was het alleen maar omdat het terrorisme zich dan terugtrekt, in de bergen, over de landsgrenzen en zich muteert naar andere continenten, om vervolgens weer terug te keren zodra een interventiemacht zich terugtrekt en er tussentijds geen cultuuromslag bewerkstelligd kon worden. 

Een probleem verkeerd framen geeft verkeerde oplossingen. Dan zullen oplossingen met zowel een militaire missie (VS) als een opbouwmissie (NL b.v.) mislukken omdat men niet kijkt met een ander onderliggend frame dat bovenliggende complexe politieke, historische problemen in hoge mate aanstuurt (***). Bovendien, als een evolutionair en een cultureel systeem van buitenaf niet goed te beïnvloeden is, al jarenlang niet, is het dan niet zaak om een verandering van binnenuit te bevorderen? Ik bedoel: maak de vrouwen groter! Groter, zodat ze kunnen dansen met de mannen i.p.v. aan de leiband te lopen. Daarom is de term ‘seksoorlog’ beter dan ‘the war on terror’. 

Wat te doen? Deze regimes en hun religieuze leiders openlijk en herhaald confronteren met de waarheid over het misbruiken van religie om de seksualiteit van de vrouw te controleren. Confronteren met de extreem asymmetrische man-vrouw verhouding die men met extreem geweld in stand te willen houden, wat in zijn uiteindelijke uitwerking vele hedendaagse volkeren in diepe ellende stort en voor generaties traumatiseert. En dat een moderne wereld – die nu eenmaal is wat hij is geworden – niet zonder samenwerkende religies kan, zeker nu de wereld voor de limieten van zijn existentie komt te staan. 

De waarheid blijven vertellen, in de VN, de EU. Plus het uitvoeren van alle mogelijke sancties, embargo’s, financiële en technische hulponthouding, confisqueren van buitenlandse activa, reisbeperkingen, e.d. die de macht van deze regimes doet afnemen (****). De waarheid vertellen zal het Westen waarschijnlijk pijn gaan doen. Dat kost haar olie, gas, grondstoffen, wereldhandel, machts- en geopolitieke instabiliteit en mogelijk meer wereldwijde Jihadistische aanslagen. Of zelfs opnieuw: proxy-oorlogen tussen de grootmachten. Ik hoop op een zachte revolutie van de vrouwen, daarbij hartgrondig ondersteund door het Westen. Want van de vrouwen zal de oplossing moeten komen, zoals dat de laatste eeuw immers ook het geval was in het Westen. 

En tenslotte: als het niet lukt kan men beter aan de waarheid doodgaan dan aan de leugen.

(*) De term sekse-oorlog zou ook kunnen maar is te algemeen omdat ze niet verwijst naar de achterliggende evolutionaire, biologische fundamenten waarop ze staat, en niet naar het concrete alledaagse seksuele gedrag van de seksen in een bepaalde cultuur.

(**) Het seculier fundamentalisme van het gruwelijkste soort vindt men in Noord-Korea; erger dan Nazi-Duitsland. Lees: ‘In Order to Survive’, van Yeonmi Park, die aan het Kim-regime wist te ontsnappen. Ik hield het niet droog. 

(***) Het switchen naar een denkframe van een hogere orde, als een algemene strategie om greep te krijgen op een zeer complexe werkelijkheid met veel verwarrende data en variabelen, is natuurlijk altijd aan te bevelen. Tenminste zolang dat denkframe, met al zijn abstracties, op empirisch wetenschappelijke grond staat en een betere verklarende en voorspellende kracht heeft. De (neo-) Darwinistische wetten zijn in wetenschappelijke kringen niet omstreden en de moderne uitwerking daarvan in de evolutionaire gedragsbiologie is er niet mee in tegenspraak.  

De Seksoorlog van de Taliban (1)

Waarom zegt niemand wat velen intuïtief denken: de Taliban voert een seksoorlog.

Om te beginnen, over wat voor soort oorlog hebben we het eigenlijk? Als je een oorlog voert dan heb je iets te verdedigen of aan te vallen. Verdedigingsoorlogen en aanvalsoorlogen. Niet altijd heel scherp van elkaar te onderscheiden natuurlijk, maar toch: je verdedigt je territorium, of je valt aan om je territorium uit te breiden. Het Romeinse, Perzische, Turkse Rijk, etc., of meer recent, Napoleon, Hitler, Stalin, de Japanners, Mao, voerden aanvals/territoriumoorlogen. De Geallieerden en de Russen voerden in WW2 een verdedigingsoorlog. Vanuit het Taliban-perspectief is er bij hen nu sprake van een verdedigingsoorlog.

Er waren en er zijn uiteraard vele soorten oorlogen naast territoriumoorlogen: stammenoorlogen, godsdienstoorlogen, etnische oorlogen, ideologische oorlogen, handelsoorlogen, koloniale oorlogen, burgeroorlogen, onafhankelijkheidsoorlogen, proxy-oorlogen, …… termen die elkaar overlappen of waarbij de ene term de andere probeert te maskeren. Vanuit het Taliban perspectief gelden al deze termen wel (misschien met uitzondering van een koloniale oorlog). 

En al die oorlogen hebben een bij hun tijd passende strategische/tactische vorm: frontale man- tegen-man oorlogen, loopgravenoorlogen, guerrilla- en andere asymmetrische oorlogen, elk met hun eigen wapeninzet: conventionele hand- en vuurwapens, chemische, biologische en kernwapens, elektronisch gestuurde wapensystemen en recent: desinformatie- en cybertechwapens. Vanuit het Taliban-perspectief is er sprake van een asymmetrische, guerrilla- oorlog met vnl. conventionele- en internetpropagandawapens.

De rechtvaardiging van pure verdedigingsoorlogen lijkt vanzelfsprekend: als een volk met genocide wordt bedreigd dan zit er niets anders op dan je daar tijdig op voor te bereiden, de wapens op te nemen en desnoods een preventieve, totale oorlog te beginnen. Als een volk dreigt niet meer te kunnen overleven, omdat het langdurig onder honger, ziekte en oorlog lijdt, dan zullen de bouwstenen van een volk verdwijnen: de gezinnen en hun beschermende families en clans, inclusief de cultuur die hun leven organiseert naar doel, richting en zin. Dan is er geen sprake meer van een verdedigingsoorlog maar van een overlevingsoorlog. Een overlevingsoorlog kan al snel het karakter van een totale oorlog krijgen, d.w.z. dat niet alleen de soldaten vechten, maar ook de burgers op hun eigen beperkte wijze waarmee ook vrouwen, kinderen, bejaarden het doelwit worden van de vijand. 

Evolutionair gezien is een overlevingsoorlog noodzakelijk: men heeft voedsel, onderdak, grond, een gezin/familie/clan en bijpassende culturele waarden nodig om als een coherente samenleving te kunnen functioneren. Vanuit het Taliban-perspectief is er sprake van een verdedigingsoorlog, maar niet van een overlevingsoorlog omdat genocide van alle Afghaanse stammen door Westerse (of voorheen Russische, e.a.) troepen niet werd nagestreefd.

Deze Afghaanse oorlog gaat dus niet over het veiligstellen van het kale biologische bestaan, die kunst verstaan de Afghaanse volkeren al eeuwenlang. Ook economische belangen spelen aan beide zijden nauwelijks of geen rol (*), uitgezonderd de opiumhandel waarmee de Afghaanse warlords hun strijd financieren. De oorlog gaat over het willen vasthouden, door bepaalde fundamentalistische subgroepen, aan hun culturele bestaan dat in de kern gaat over de verdediging en het voortbestaan van de gezinsstructuur. En die structuur valt of staat met de seksuele dominantieregels van de man.

De atomaire eenheid van vrijwel elke cultuur is het gezin; alleen langs de kinderen kan de evolutionaire generatielijn worden voortgezet. Een gezinsstructuur, nodig om een kind succesvol tot volwassenheid te brengen, wordt bepaald door de man-vrouw verhouding. De stabiliteit van de man-vrouw dynamiek wordt door formele en informele wetten van een cultuur bevestigd en bewaakt. Streng of minder streng bewaakt, al naargelang een bevolkingsgroep floreert of door externe (sub-)culturen bedreigd wordt. In de meeste niet-Westerse culturen is de man-vrouw verhouding asymmetrisch, d.w.z. de man bewaakt de seksualiteit van de vrouw (**): de belangrijkste religieuze wetten zijn hier direct op ingericht en de minder belangrijke wetten zijn er een afgeleide van of zijn in ieder geval er niet mee in tegenspraak.

Veel niet-Westerse zgn. democratische landen omarmen wel de Westerse vrijheden en waarden, maar meestal niet die vrijheden en waarden die betrekking hebben op het seksuele gedrag van de vrouw. Alle grote religies (Islam, Hindoeïsme, Boeddhisme, Jodendom, Christendom) hanteren religieuze wetten die het seksuele gedrag van vrouwen voor, tijdens en na het huwelijk meer of minder sterk beperken en onder toezicht houden van mannen, de familie, de clan of de staat. Ook in niet-Westerse Christelijke culturen is die seksuele asymmetrie het geval. In Westerse democratische rechtsstaten is de gelijkheid van mannen en vrouwen bij wet weliswaar geregeld, maar zijn seksisme, misogynie (en misandrie) en dubbele standaarden niet de wereld uit, zelfs niet in de meest seksueel egalitaire (Scandinavische) landen.

Om de functie van dit vrijwel universele fenomeen te begrijpen moeten we naar de evolutionaire biologie en psychologie. Aangezien de seksuele en de overlevingsdrift de twee sterkste drijfveren zijn van de Darwiniaanse wetten (van natuurlijke en interseksuele selectie), zal elke cultuur deze ‘instinctieve driften’ moeten reguleren, ieder op zijn eigen wijze een culturele vorm moeten geven, om zich te verzekeren van zijn voortbestaan. En in bredere zin, om zich als soort tegen uitsterven te behoeden. Onze ‘instinctieve, genetische hardware’ heeft een synchroon lopende ‘culturele, psychologische software’ nodig om het mensdier evolutionair te kunnen laten voortbestaan. Lopen biologie en cultuur niet meer synchroon dan verliest de cultuur zijn adaptieve functie d.w.z. zijn vermogen om zich aan zijn voortdurend veranderende natuurlijke habitat en sociale omgeving aan te passen. 

Je hoeft geen raketgeleerde te zijn om in te zien dat deze asynchrone toestand inmiddels het hoofdprobleem van deze tijd lijkt te worden: onze biologie, ons (paleolithisch) brein, kan de veel te snel veranderende cultuur niet meer aan. De adaptatie aan de snel veranderende sociale, politieke, economische en technologische omstandigheden is cultureel, laat staan genetisch, niet meer bij te benen. En ook de adaptatie aan onze natuurlijke habitat, die voorheen op de evolutionaire schaal traag en lokaal verliep, is nu met de snelle klimaatverandering een existentieel probleem op wereldschaal geworden. 

Alles opgeteld en afgetrokken, en ietwat kort door de bocht misschien: wat nou democratie brengen in niet-Westerse landen?! In landen waar biologie en cultuur een eeuw terug nog redelijk synchroon liepen. Gedoemd te mislukken. Totale onderschatting van de sterkste menselijke drijfveer: de seksuele drijfveer en zijn hulpje de cultuur.

Maar het omgekeerde is ook waar. Je kan de klok anno vandaag niet terugdraaien nu de culturen eenmaal kennis van elkaar hebben, zich niet meer kunnen (en willen) isoleren en zullen moeten samenwerken om de existentiële bedreigingen van alle culturen in de wereld het hoofd te bieden. Samenwerking, misschien wel de grootste kracht achter het evolutionaire ‘succes’ van het mensdier, samenwerken op een andere culturele schaalgrootte is meer dan ooit nodig. Niet alleen voor de soort mensdier, maar voor alle diersoorten en al het andere organisch leven.

Terug inzoomen naar de Taliban. Onder de eeuwenoude islamitische wetgeving, de Sharia, kan de vrouw niet zelfstandig over haar lichaam beschikken, is ze seksueel direct opeisbaar en in die zin echtelijke gehoorzaamheidsplicht verschuldigd. En ook in de niet-seksuele zin: gehoorzaamheid aan de vader, de echtgenoot, de broer en de zoon. In het huwelijk is dus sprake van seksuele gevangenschap. Voor het huwelijk worden vrouwen daartoe zoveel mogelijk afgescheiden van de mannengemeenschap (geen scholing, binnenhuistaken, lichaambedekkende kleding, geen publieke functies, e.d.) en al in de vroege jeugd geprepareerd op het ‘gesloten huwelijk’. Ongehuwd moederschap betekent een paria zijn. Na het huwelijk (b.v. door dood of scheiding van de echtgenoot) is ze haar alleenstaande leven niet veilig en zal ze opnieuw in een of andere vorm, volgens de Sharia, de familie- of clanregels onder mannelijke supervisie gebracht worden. 

Deel 2: De ‘Battle of the Sexes’ is een ongelijke strijd voor de Afghaanse vrouw, voor de democratie en voor hen die ‘het Afghaanse probleem’ blijven framen als een politiek probleem.

(*) Er zijn wel belangrijke grondstoffen aanwezig (lithium, uranium, koper, zink, goud, e.d.) maar die zijn tot nu toe niet exploitabel gebleken. M.n. het nabijgelegen China zal goeie contacten met het Taliban regime willen onderhouden om in zijn dominante grondstoffenpolitiek te kunnen investeren.

(**) De geschiedenis van de ‘Battle of the Sexes’, in het bijzonder die van de seksuele man-vrouw verhouding, gaat terug naar de menselijke evolutionaire geschiedenis en zelfs verder naar die van primaten en zoogdieren. Normatieve begrippen als ‘het patriarchaat’, ‘masculine hegemonie’, ‘toxische masculiniteit’, e.d. zijn veel te oppervlakkig en te gepolitiseerd om een verklaring te geven voor de wijze waarop de man-vrouw dynamiek zich in verschillende culturen manifesteert. Voor een goed begrip van de evolutionaire wortels van de huidige (verborgen) ‘seksuele man-vrouw conflicten’, van hoe de seksen elkaars seksuele gedrag bewaken, lees het boek van David M. Buss, wetenschappelijk grondlegger van de evolutionaire psychologie: ‘When Men Behave Badly; the hidden roots of sexual deception, harassment & assault’ (2021). Zie ook YouTube.

Denkrevoluties: over kwantumtheorie en kwantumdenken (2)

Stel uzelf gerust: u hoeft de kwantummechanica beslist niet te begrijpen om mee te kunnen praten. Sterker nog, niemand begrijpt de kwantummechanica, ook natuurkundigen niet, zo verklaarde Richard Feijnman, natuurkundige en Nobelprijswinnaar (*). Niet begrijpen in die zin dat je je er geen omvattende voorstelling van kunt maken, maar er wel vrolijk en kloppend mee kunt rekenen en allerlei mooie technologische apparaten mee kunt bouwen (ook vreselijke alles uitroeiende wapensystemen trouwens). Zoals je een auto ook niet alomvattend hoeft te begrijpen om erin te kunnen rijden, zoiets.

Eén ding maakt Rovelli telkens weer duidelijk: wij beleven onszelf als een Ik met een binnenwereld, met een bewustzijn, dat door onze huid gescheiden is van de wereld buiten ons, de buitenwereld. Die tegenstelling is in het kwantumdenken schijn, een illusie, er bestaat geen binnen- en buitenwereld, geen geest en materie. Alle beschrijvingen van de wereld zijn inclusief onszelf en dus, in laatste instantie, allemaal beschrijvingen van binnenuit. D.w.z. er bestaan alleen perspectieven op dat wat wij ‘de werkelijkheid’ noemen. ‘De werkelijkheid’ is tegelijk ‘onze werkelijkheid’. De geestelijke eigenschappen die wij aan onszelf toeschrijven, evenals de fysische eigenschappen van de wereld buiten onszelf, ze staan relatief t.o.v. elkaar. We bevinden ons in een wereld zonder kale feiten omdat feiten alleen relatieve feiten zijn. Feiten omtrent onze subjectieve ervaringen en objectieve waarnemingen staan niet op zichzelf, ze worden alleen ‘zichtbaar’ in relatie tot elkaar. ‘Er bestaan geen feiten, alleen interpretaties’, zei Nietzsche. ‘Het leven is opinie’, zei de Griekse filosoof Democritus. 

Samengevat: het denken in subject/object, ik/wereld, geest/materie, bewustzijn/ding, zelf/ander, kaart/terrein is bedrieglijk, het is pre-kwantumdenken. Kwantumdenken is relationeel denken, interconnectief, contextueel, systemisch, is denken in de verschillende resoluties van waaruit de ‘werkelijkheid, de wereld, de waarheid’ beschouwd kan worden.

Hier aangekomen vraag je je af: wat is de impact van de kwantumtheorie op onze samenleving, op onze cultuur? Met impact bedoel ik: is er een directe invloed, een indirecte invloed, een samenhang of een analogie met maatschappelijke/culturele ontwikkelingen aan te wijzen?

  • Wetenschap. Een directe invloed van de kwantumtheorie op de harde empirische wetenschappen(natuurkunde, chemie, biologie) was er al snel na de presentatie van de kwantumtheorie, zo rond 1925. Een explosie van wetenschappelijke deelgebieden zoals kwantum(bio)chemie, kwantumoptica, kwantum-electrodynamica, kwantuminformatica, astrofysica, ontstonden in no time.
  • Technologie. Sinds de praktische technologische toepassingen van de kwantummechanica mogelijk werden, groeide de kwantumtechnologie exponentieel: kernenergie, de transistor, de computerchip, het internet, allerlei medische technologie (MRI-,CT-, PETscan), robots, AI-gestuurde machines, etc. Onze leefwereld veranderde daardoor dramatisch en in een zo snel tempo dat we niet meer bij kunnen houden wat de stand van zaken eigenlijk is.
  • Bijwerkingen. De indirecte invloeden van de kwantumtechnologie zijn gigantisch: de wet- en regelgeving kunnen de tech-innovaties niet bijhouden waardoor er inmiddels allerlei kwalijke ongecontroleerde bijwerkingen van de kwantumtechnologie zijn ontstaan: de proliferatie van de atoombom, de plasticsoep in zee, nucleaire ongelukken, chemische lucht- en waterverontreiniging, klimaatopwarming ….. om er maar een paar te noemen.
  • Politiek. Indirecte gevolgen veranderden ook de politiek die moet inspelen op de handel in kwantumtechnologische producten en de handel in de technologische innovaties zelf. En die moet inspelen op de verschuivende geopolitieke machtsverhoudingen die door de kwantumtechnologie veroorzaakt worden. Zo bracht de atoombom waarschijnlijk meer politieke stabiliteit en vrede tussen de machtsblokken Rusland, China en het Westen, maar inmiddels is die werking obsoleet nu veel landen zich geavanceerde AI-gestuurde wapensystemen kunnen veroorloven, nu elke thuisknutselaar met CRISPR-tech biobommen kan maken, en er een goedkope cyberoorlog gevoerd kan worden die de hele financiële- en energie-infrastructuur van een land kan platleggen. Een kleine vonk kan gemakkelijk een cascade van geweld veroorzaken, een apocalyptische oorlog veroorzaken die geen overwinnaars kent.
  • Kennis en Weten. Een andere zeer belangrijke indirecte invloed van de kwantumtechnologie, met name de hightech communicatietechnologie, is de crisis in het vertrouwen in overheidsinstanties, de media en de wetenschap, oftewel een kennis/waarheidscrisis, de zgn. epistemologische crisis (**). Niemand weet nog wat hij voor waar moet houden, de waarheid is volstrekt gefragmenteerd, hetgeen voornamelijk veroorzaakt wordt door de sociale media die zeer snel misinformatie, deepfake video’s, propaganda, ongefundeerde meningen, etc. de wereld instuurt. Onbegonnen werk voor factcheckers die op hun beurt ook weer gewantrouwd worden, wat eerder tot verdere maatschappelijke polarisaties leidt dan tot een werkelijke correctie op een boel onzin, onkunde en onwetenheid. Zo onstaat er een paranoïde samenleving die gemakkelijk uitgebuit kan worden door gepsychopatiseerde cybercriminelen in dienst van autocratische politieke machthebbers.
  • Onderwijs. Een vergelijkbare kwantumtechnologische impact is die op het onderwijs. Onderwijs emancipeert, (vooral bij vrouwen in niet-westerse landen), behoedt ons tegen bijgeloof en manipulatie, laat ons betere beslissingen maken hoe door het leven te navigeren. Maar als degelijk onderwijs zijn gezag verliest omdat het op het snelle internet neergezet wordt als ‘propaganda van de westerse witte man’ of van een vigerend regime, dan wordt het onderwijs verdacht en doodgerelativeerd. Universiteiten hebben veel last van die antiwetenschappelijke woke-, gender- en cancelcultuur.
  • Economie. De invloed van kwantumtechnologische innovaties in de computerwereld op de wereldeconomie is griezelig: de virtuele financiële (beurs)handel is vele malen groter dan de reële handel in spullen. Als die luchtbel knapt is een ongekende wereldeconomische crisis het gevolg. De liberale (bijna) vrije wereldmarkteconomie is volstrekt afhankelijk van computertechnologie, hoe sneller en ondoorzichtiger handelscontracten en financiële stromen verlopen, hoe meer omzet en winst geboekt kan worden. De computertechnologie heeft het macro-economische wereldplaatje onafwendbaar, definitief en onomkeerbaar veranderd. Economie zou ten dienste van de consument moeten staan (is mijn stelling), maar dat doet ze allang niet meer, althans zeer ten dele. Ze staat ten dienste van een kleine rijke elitegroep die investeert in cutting-edge computertechnologie waarmee kapitaal en bezit worden uitgebreid en veiliggesteld. De wereldburger heeft het nakijken, de inkomens- en bezitskloof wordt elk jaar groter.
  • Kunst. Over de invloed van het kwantummechanisch denken op de kunststromingen durf ik niets te zeggen; op dat terrein ben ik onvoldoende thuis. Rovelli ziet een samenhang met het kubisme (QBisme) dat in dezelfde tijd opkomt als de kwantumtheorie, zo tussen 1900 en 1925. ‘Kubisme en kwantumtheorie nemen beide afstand van het idee dat de wereld op figuratieve wijze gerepresenteerd kan worden. Het QBisme ziet af van een realistisch beeld van de wereld, achter hetgeen we zien of meten’, schrijft hij. Ook vermeldt hij Pirandello’s roman ‘Iemand, niemand en honderdduizend’ die handelt over het uiteenvallen van de werkelijkheid in standpunten van verschillende waarnemers (rond 1925).

Interessant is te weten in hoeverre 20e-eeuwse kunststromingen als Dadaïsme, Surrealisme, Magisch Realisme, en andere avantgardistische stromingen iets te maken hebben met het kwantummechanische idee dat ‘de werkelijkheid niet de werkelijkheid is die we denken te zien’ (om het maar eens plat te zeggen).

  • Filosofie. Voorzover een kwantummechanicus als Rovelli zich ook bezighoudt met de relatie tussen geest en materie doen de moderne filosofen en psychologen dat op een analoge wijze ook. De moderne beeldvormende (kwantumtechnische) apparaten zoals de MRI, CT- en PETscan, plus de moleculaire biologie en de neurofysiologie hebben de neurowetenschappers nieuwe inzichten gegeven in het inmiddels verouderde geest/materie probleem. Een nieuwe stroming in de filosofie ontstond: de neurofilosofie. Hoe bewustzijn, vrije wil, logica, ideeën, beelden, taal en andere psychische fenomenen zich in de breinmaterie manifesteren en wat dat betekent voor bijvoorbeeld de oude Kantiaanse vragen (wat kunnen wij weten, wat moet ik doen, wat mag ik hopen, wat is de mens), dat alles komt weer in een volkomen nieuw daglicht te staan.

En dan is er nog de hedendaagse techniekfilosofie die zijn handen vol heeft aan de reflectie op de invloed van technologie op maatschappelijke ontwikkelingen, op de rol van de mens die weggerobotiseert wordt, wiens lustvolle brein verslaafd gemaakt is aan clickbaits, likes, en (mis)informatie uit de eigen bubble (zie Netflix: The Social Dilemma). Je kan toch niet ontkennen dat de uit de hand gelopen kwantumtechnologie hier iets mee te maken heeft?

  • Religie. Religie gaat in veel opzichten over zingeving, over hoe de mens zich zou moeten gedragen, over goed en kwaad, over de goddelijke waarheid, zaken die verpakt zijn in een Groot Verhaal waarmee een gemeenschap bij elkaar wordt gehouden. Maar wat als bij uitstek juist dat Grote Verhaal aangevallen en verdrongen wordt door een cultuur die niet een collectieve maar een persoonlijke zingeving omarmt, die zich geen leefregels wil laten voorschrijven, die goed en kwaad relativeert, die geen goddelijke waarheid maar een multiperspectivische waarheid voorstaat, die allang niet meer gelooft in Het Grote (religieuze of seculiere) Verhaal? En dat alles misschien niet direct veroorzaakt maar op zijn minst wel gekatalyseerd door de kwantumtechnologische cultuur die op alle belangrijke levensgebieden ingrijpt.

De kwantummechanica is als theorie niet meer dan een serie wiskundige vergelijkingen. Kan geen kwaad. Maar de invloed op ons denken over de werkelijkheid en de kwantumtechnologische gevolgen ervan zijn onmiskenbaar. Met de kwantummechanica voltrekt zich een stille revolutie die al 100 jaar gaande is, die diep existentieel, bewust en onbewust, in het goede en het kwade, op ons inwerkt, en die zijn einde nog lang niet heeft bereikt.

(*) Niels Bohr, kwantummechanicus van het eerste uur, zei iets dergelijks: ‘ Als je over kwantummechanica kunt praten zonder dat het je duizelt, heb je er niets van begrepen.’

(**) Epistemologie of kennisleer: de tak van de filosofie die de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte van kennis en het weten onderzoekt (Wikipedia). Met de epistomologische crisis wordt hier bedoelt dat de gemiddelde burger alle kennis en kennisdragers is gaan wantrouwen omdat het onderscheid met de overspoelend misinformatie op het internet en in de media niet meer te maken is. Er zijn daarnaast vele andere factoren die maken dat het onderscheid tussen gezaghebbende kennis en pseudokennis tegenwoordig slechts door zeer weinigen is vast te stellen. (Lees de blog: ‘31 redenen waarom men wetenschap (te) lastig vindt en wantrouwt’; maart 2021)

Denkrevoluties: over kwantumtheorie en kwantumdenken

Tenzij u niet goed bij uw hoofd bent, gelooft u niet dat de aarde plat is. Het heeft destijds wel even geduurd voordat het oude wereldbeeld van een platte naar een bolvormige aarde verschoof, zoals het wereldbeeld ook weer verschoof toen Galilei vaststelde dat de aarde beweegt en om de zon draait, en niet andersom. 

De natuur- en wiskunde zorgde opnieuw voor een denkrevolutie toen Newton zijn natuurkundige wetten formuleerde en poneerde dat de wereld, het universum, op een materialistische, mechanistische manier in elkaar zit. Massa, beweging, en zwaartekracht zijn constanten die in formules waren te vangen. En het universum bestaat uit atomaire deeltjes die zich volgens mechanistische wetten tot elkaar verhouden, en dus zitten ook wij als mensen als samengeklonterde deeltjes in zijn formules. 

Opnieuw veranderde het wereldbeeld toen Einstein in 1905 en 1915 zijn specifieke en algemene relativiteitstheorie poneerde: ruimte en tijd zijn nu geen vaste gegevens meer, ze krommen, buigen, krimpen en rekken naargelang de plaats waar je ze in het universum meet. Ook dat had filosofische consequenties, het veranderde opnieuw onze kijk op het universum (en kort daarvoor (1859) veranderden Wallace en Darwin met hun ‘evolutionaire relativiteitswetten’ ook nog even ons mensbeeld in een mens-dierbeeld). 

Die vijf grote revoluties in ons denken over de werkelijkheid gaven de mens een alsmaar bescheidener plaats in het universum maar nog steeds zijn er kleine restjes mensen die maar niet van hun troon willen afstappen: ‘de platte aarde’-wappies, de ‘creationisten’, de ‘god bestiert alles’-volhouders, en de ‘alles bestaat uit kleine deeltjes’-gelovigen. 

En toen kwam de grote klapper, de zesde, en wellicht de grootste denkrevolutie aller tijden: de kwantumtheorie. De destijds 23 -jarige Heisenberg formuleerde in 1925 op het kale Noordzee-eiland Helgoland de grondbeginselen van de kwantummechanica, nota bene geïnspireerd door Einstein. Een theorie die korte tijd daarna verder werd uitgediept door zijn tijdgenoten: o.a. Born, Bohr, Schrödinger, Pauli, Dirac, Heisenberg, Fermi… allemaal Nobelprijswinnaars. 

Het probleem echter met de kwantummechanica is: 

  • dat hij zeer moeilijk te begrijpen en uit te leggen is. Je moet zeer diep in de wis en natuurkunde zitten om er chocola van te maken. Einsteins relativiteitstheorie is een stuk gemakkelijker te volgen. Heisenbergs kwantummechanica is duister, totaal out of the box, toverachtig, maar… hij klopt wel. En hij klopt al bijna100 jaar! Er is geen theoretisch natuurkundige die de kwantumtheorie met experimenten onderuit heeft kunnen halen (*). En u weet ook dat de kwantumtheorie klopt, want de technische consequenties ervan zitten in uw computer, smartphone, TV, in de MRI scan, de elektronenmicroscoop, de laser, het internet, etc. Ze draaien uiteindelijk allemaal op kwantummechanische principes. Niks zo praktisch als een goeie theorie!
  • dat de oude Newtoniaanse en de daarop aansluitende moderne Einsteiniaanse relativiteitstheorie, met hun mechanistische wetten van massa, ruimte en tijd, ons intuïtief meer aanspreken, want ze gaan niet in tegen onze dagelijkse ervaring van de zichtbaarheid van materie en de meetbaarheid van ruimte en tijd en tegen het idee van actie = reactie. In de kwantummechanica daarentegen gelden geen mechanistische wetten en is er geen materie, maar kansgolven. Het probleem is dat je zowel met de relativiteitstheorie als met de kwantumtheorie steeds kloppend kan rekenen en er overtuigende experimenten mee kan uitvoeren, maar dan wel binnen de context van hun eigen theorie. Jammer genoeg is er nog geen theorie die beide omvat, een Theorie van Alles. Maar inmiddels rekenen chemici, biologen, ingenieurs, astrofysici, kernfysici wel dagelijks met de kwantummechanica.
  • dat er verschillende interpretaties van de basis kwantumtheorie bestaan (**), hetgeen verwarrend is en het nog moeilijker maakt e.e.a. te begrijpen, zodat men geneigd is vast te houden aan het oude Newton/Einstein paradigma.
  • dat de afstand van de theoretische natuurkunde tot de filosofische kennisleer, laat staan tot de man in de straat, enorm is. De regel ‘schoenmaker hou je bij je leest’ wordt in natuurkundige kringen nog volop toegepast; er zijn zeer weinig interdisciplinaire bruggenbouwers.
  • dat niet alleen de kwantummechanica maar alle grote denkrevoluties enige generaties vergen alvorens ze gemeengoed worden en een brede invloed krijgen op andere cultuurgebieden zoals religie, filosofie, menswetenschappen, kunst en de politiek. Alhoewel vrijwel alle natuurkundigen in de vorige eeuw al snel de kwantummechanica omarmden is hij nog maar zelden en in zeer oppervlakkige zin in de leerboekjes van middelbare scholieren te vinden. 

Ik ga u de kwantumtheorie niet uitleggen, want dat kan ik niet goed. Mijn hersens zijn erop gebroken, het gaat me eigenlijk nog steeds boven de pet. Het beste begrip dat ik nu na jaren worstelen heb, ontleen ik aan Carlo Rovelli, theoretisch natuurkundige, die zijn professionele leven wijdde aan de kwantumtheorie. Onlangs verscheen zijn fenomenale boek, voor het grote publiek geschreven, over de aard en geschiedenis van de kwantummechanica: Helgoland (***). Dat boek is ook de reden dat ik dit artikel schrijf: een absolute aanrader (tenminste, als u de ‘kwantumsprong’ in uw denken wil maken).

Plat gezegd: wanneer je de materie tot zijn kleine deeltjes uitpelt hou je niets anders over dan golven met kleine pakketjes informatie. Materie met zijn eigenschappen, zoals die zich aan ons manifesteert, staat niet op zichzelf, materie kan zich alleen aan ons tonen in relatie tot andere materie (waaronder de mens of zijn meetapparatuur).

D.w.z. we moeten niet meer denken in dingen maar in relaties tussen dingen. Relaties vormen dus de bouwstenen van de werkelijkheid, niet materie. De tegenstelling: ik (subject) versus de wereld buiten het ik (object) vervalt daarmee, evenals de tegenstelling lichaam/geest en werkelijkheid/denken. Omdat wijzelf onderdeel van de fysische natuur zijn kunnen we de werkelijkheid niet als observator van buiten beschrijven, maar alleen van binnenuit. Er bestaat geen ‘buiten’ de totaliteit van de dingen. Ook ons ik bestaat bij de gratie van relaties, evenals samenlevingen, ons culturele, geestelijke en politieke leven. De kwantummechanica is duizelingwekkend omdat ze de klassieke visie op de materiële wereld in rook doet opgaan en de werkelijkheid tot hallucinatie maakt (maar die hallucinatie klopt wel!). De kwantummechanica zet daarmee een andere manier van denken in werking: relationeel denken. 

Dus vraag je je af wat de impact van de kwantumtheorie op onze cultuur gaat worden, of hij invloed gaat hebben op de manier waarop we met elkaar omgaan, of hij gevolgen heeft voor de manier waarop we met de grote wereldvraagstukken omgaan. Omgaan is relationeel denken, is kwantumdenken.

Fascinerend. Meer dan fascinerend. De volgende keer een poging om enige grip te krijgen op het verschil tussen materialistisch object-denken en relationeel kwantum-denken. 

(*) Zelfs de geniale Einstein moest uiteindelijk buigen (hij verzette zich hevig) voor de supergenialiteit van de kwantumtheorie. 

(**) Rovelli behandeld kort enkele kwantuminterpretaties: de Kopenhagen-, de veel werelden-, de verborgen variabelen- en de relationele-interpretatie, waarvan de laatste hem het meest aanspreekt.

(***) Helgoland, het verhaal van de kwantumfysica, de ingrijpendste wetenschappelijke revolutie aller tijden. Carlo Rovelli; 2021. Uiteraard is Rovelli ook op YouTube te volgen.

Beter twijfelen dan zeker weten (2)

Zo ongeveer moet het wel gegaan zijn: de bakens van zekerheid, veiligheid en vertrouwen verschoven in de menselijke geschiedenis van veel- en afgoderij tot aan het hedendaagse nihilisme (dat zelfs de empirische wetenschap heeft geannexeerd).

Maar wat niet verschoof is de onderliggende en genetisch ingebakken overlevingsbehoefte om de wereld te begrijpen, te voorspellen en te controleren. En voor de invulling van die primaire behoefte zijn twee dingen nodig: a) de illusie van een overlevingsbaken buiten ons, dat ons de weg wijst als we het zelf echt niet meer weten, b) de illusie van een persoonlijk, innerlijk baken waarmee we de dagelijkse wereld praktisch tegemoet treden om te overleven. Een metafysische overlevingsillusie en een psychische overlevingsillusie, zou je kunnen zeggen (1). 

Voor de metafysische, collectieve illusie heb je een religieuze of seculier ideologische ‘kerk’ nodig: een in een gemeenschap gedeelde opvatting hoe de wereld in elkaar zit, wat van waarde, zin en betekenis is. Het is een overlevingsstrategie, een baken op populatieniveau, die ‘gepredikt’ moet worden.

Op individueel niveau heb je de illusie van een Ik, een Psyche, een Ziel, oftewel een innerlijk baken nodig dat sturing en controle geeft over het dagelijkse handelen. Dat gevoel van eigen sturing en controle kan alleen gevoeld worden als men zichzelf fundamenteel ziet als iemand met een vrije wil, iemand die keuzes kan maken en die daarvoor in vrijheid moet leven. Als je het externe metafysische baken weghaalt, en het collectivistische religieuze of ideologische gemeenschapsdenken laat verwateren, dan heb je noodzakelijkerwijs veel Ik, identiteit, vrije wil en vrijheidsdrang nodig om dat verlies te compenseren.

Die hooggewaardeerde westerse ideologie van zelfbeschikking, democratische vrijheid, individuele en identitaire waarden, die kwam er niet voor niets. We gaan er dagelijks al protesterend de straat voor op en voeren er desnoods desastreuze oorlogen voor om ze te behouden. Maar in veel opzichten zijn die westerse waarden tegelijkertijd niets anders dan een niet zelfgekozen, maar een noodzakelijke evolutionaire uitkomst van het menselijk denkvermogen. We zullen die individualistische waarden wel moeten omarmen, onvrijwillig, om het hoofd boven water te houden. En natuurlijk zullen we tegelijkertijd die impliciete onvrijwilligheid graag ontkennen en ons op de borst kloppen voor die ‘zwaar bevochten vrijheden’.

Ons westers-individualistisch denken heeft (evenals het niet-westerse collectivistische denken) zijn eindpunt natuurlijk niet bereikt, het zal echt wel verder evolueren. En opnieuw: niet vrij-wil-lig maar noodzakelijkerwijs. En, net zoals in vroeger tijden, we hebben geen idee in welke richting, in welke vorm en met welke snelheid. Een ding lijkt me wel vrij zeker: dat we voorlopig nog een boel goeie illusies over onszelf en de wereld nodig hebben om het met elkaar uit te houden. En dat we maar beter permanent aan onszelf kunnen blijven twijfelen dan stug blijven volhouden iets zeker omtrent onszelf en welke Waarheid dan ook te weten. Dat voorkomt een boel ellende.

(1) Pas in de 19e eeuw komt er een derde en cruciale overlevingsfactor bij: de democratische staatsvorm die het vrije denken van individuen toestaat. Het streng normatieve, (zelf)repressieve denken onder de theocratieën en monarchale autocratieën verdwijnt en maakt plaats voor het recht op vrije meningsuiting, expressie en communicatie.Die omstandigheid veroorzaakt een stroom van innovatieve ideeën op vrijwel elk maatschappelijk terrein: de competitieve vrije markt van ideeën is geboren. Vooral innovatieve technologische ideeën krijgen ruim baan: de industriële revolutie is geboren wat de samenleving (tot dan toe 90% boerenbevolking) onomkeerbaar veranderde. De plotselinge en wereldwijde bevolkingsexplosie die er op volgde is een bewijs dat de vrijheid van denken zeer sterk bijdraagt tot evolutionaire overleving. Althans tot nu toe

Beter twijfelen dan zeker weten (1)

Hoe lang duurt het voordat een kind wordt bevrijd van zijn magisch denken, van zijn vrolijke fantasiewereld en zijn angstig bijgeloof? Nou ja, je frontaalcortex, de plek waar het logisch kritische denken in je brein is gehuisvest, is pas op je 24ste jaar uitgegroeid (1)!

Hoe lang heeft het geduurd voordat de mens zich enigszins bevrijdde van zijn primitieve denken, zijn geloof dat stenen, dieren, bomen en het water allemaal bezield zijn, zich bevrijdde van zijn animistisch denken, zijn geloof aan magische, mythische, goddelijke en demonische krachten? Nou ja, de Verlichting, de historische periode waarin het empirische oorzaak en -gevolg denken zich sterk ontwikkelde en het pré-rationele denken terug werd gedrongen, dat verlichtingsdenken is er op de evolutionaire schaal van ons bewustzijn nog maar sinds gisteren.

Er lijkt wel een parallel te bestaan tussen de ontwikkeling van het kinderlijk denken en de evolutie van het volwassen denken. Zowel op het individuele als op het populatieniveau gaat de ontwikkeling van het denken steeds verder in de richting van meer inzicht (b.v. via wetenschap), en dus meer voorspelbaarheid (b.v. via wiskunde) en controle (b.v. via techniek) krijgen over de chaotische en raadselachtige wereld om ons heen.

Die niet aflatende wil om de nevelige wereld steeds beter te onderzoeken en te begrijpen, en daarmee te voorspellen en te controleren, die drijfveer dient er evolutionair natuurlijk voor om onszelf lijfelijk veilig te stellen en emotioneel veilig te voelen. Onderzoeken en proberen te begrijpen, en niet blindelings vertrouwen in wie of wat dan ook, is voor het praktische mensendier de meest effectieve manier om te overleven en zich voort te planten. We gebruik(t)en voor dat overlevingsdoel naast praktische kennis ook ‘talige kennis’: zwaar beladen begrippen, symbolen, metaforen en verhalen waaraan we ons vast kunnen houden, bakens in barre tijden wanneer onze binnen- en buitenwereld chaotisch tekeer gaan.

In pré-rationele tijden gebruikten we zeer krachtige, heilige bakens: Goden, die door de tijd heen in aantal gereduceerd werden tot één god, die vervolgens uit de natuur in een boek gestopt werd om van daaruit ons de Waarheid en de veilige weg te wijzen. Toen in seculiere tijden God dood werd verklaard bleef er alleen nog het streven naar de seculiere Waarheid over, als enig en laatste baken om je op te richten. Het gaat daarbij niet om begrippen als waarachtigheid, waarheid spreken, transparantie, eerlijkheid, e.d., want die zijn van een andere, meer vloeibare, sociale orde. Nee, hier gaat het over de Waarheid in vaste vorm, als de uiteindelijk nog te vinden antwoorden op de eeuwige universele filosofische vragen: wie zijn wij, waar komen wij vandaan, waar moeten we naar toe, wat is er na de dood, wat is zijn, wat kunnen we weten?

Maar hier werd het opnieuw problematisch in filosofieland (2), want in onze postmoderne tijd is het waarheidsconcept, als metafysisch of universeel richtsnoer, al lang weer verkruimeld tot tientallen relativistische waarheden. En dat betekent dat er uiteindelijk van de Waarheid niets anders overbleef dan de Twijfel aan alles. Of zelfs nog verder: de radicale afwijzing van alle twijfel aan alle verschillende waarheden. En die opvatting wordt dan weer een zekerheid, een vaste overtuiging dat er geen enkele universele of absolute grond is waarop men de wereld zou kunnen kennen, en geen enkele grond waarmee men het bestaan betekenis of zin zou kunnen geven. Daarmee is het nihilisme geboren, zo aan het begin van de 20e eeuw(3). En het is sindsdien niet meer weggeweest!

(1)De anatomische lokalisering van onze ‘kritische geest’ in de frontaalcortex is een versimpeling; in feite werken vele evolutionaire oudere hersenstructuren dan de cortex in neurale netwerken samen om  ‘kritisch denken’ mogelijk te maken.

(2) De Amerikaanse filosoof en psycholoog William James (1842-1910) vond dat filosofen wel eens wat te veel eer toebedeeld krijgen; hun filosofieën zouden vaak niet veel meer zijn dan een verzameling subjectieve, door emoties, temperament en praktische overwegingen gemotiveerde ideeën, verpakt in een onpersoonlijk, objectief jasje (Vanno Jobse, 2018). James’ opvatting dat filosofische ideeën vaak sterk persoonlijk gekleurd zijn doet niets af aan hun waarde en hun breed maatschappelijk draagvlak. Immers, de fundamenten van ons rechtsstelsel, de empirische wetenschap, de economische, politieke en ethische ideologieën liggen diep in de filosofie verankerd.

(3) Een vorm van nihilisme bestond al bij de oude Griekse sceptici (±365 v.C.— ±200 n.C.) en is sindsdien in de geschiedenis van de filosofie niet weggeweest, maar ze kreeg voor de Verlichting nooit vaste voet aan de grond. De sceptici propageerden de denkhouding van de twijfel aan alles, omdat ze alle kennis en waarheid als relatief beschouwden. De twijfel als grondhouding, als een way of life, is inmiddels in onze huidige wetenschappelijke methode ingebouwd. We weten voorlopig iets, totdat we weer iets beters weten, etc. Twijfel is de motor waar kennis- en technologiegroei op draait en waarmee het denken zich ontwikkelt. Of we daar uiteindelijk beter van worden kan men in twijfel trekken.