We geloven vaak zelfs niet meer in wetenschap of wetenschappers (wat we geloven 2)

De rationale visie van de Verlichting bracht ons wetenschappelijke kennis van de materiele werkelijkheid en praktische technologische knowhow. Maar de rede kon weinig met de andere twee werkelijkheden, waarmee wij als mensen altijd  te maken hebben: die van de onderlinge menselijke relaties en daar direct mee samenhangend: de wereld van de menselijke ideeën over die drie werkelijkheden. Maar de wetenschapsbeoefening zelf werd wel door de ideeën over de werkelijkheid beïnvloed welke een grote invloed hadden op de mensen die wetenschap beoefenden.

De massale toestroom van studenten naar de universiteiten veroorzaakte een ongekende schaalvergroting van de universiteiten. Het bedrijfsmatige model dat economen toen ook voor de universiteiten zelf begonnen te propageren, betekende dat de managers/technocraten de besturing van het wetenschapswerk overnamen. Tegenwoordig is het grootste deel van de wetenschapsbeoefening gericht op winstgevende toepasbaarheid – op mogelijk profijt. Veruit de meeste wetenschappers hebben geen vaste sinecure meer van waaruit ze vrijelijk kunnen bepalen wat ze willen onderzoeken. Onderzoek moet betaald worden en wie betaalt bepaald.

Daardoor is wetenschappelijk onderzoek slechts een middel geworden om nuttige profitabele produkten te ontwikkelen, welke in de vrije markt geëxploiteerd kunnen worden. Vooral de natuurwetenschappen zijn inmiddels diepgaand gecorrumpeerd door de grote bedrijven, niet in de laatste plaats door wetenschappers die zich hier uiterst profitabel voor laten lenen. Het leidde ook tot de huidige enorme productiviteitsdruk op-  en de publicatie- en profileringsdrang van wetenschappers. Wetenschap is dus bepaald niet meer waardenvrij noch is enigerlei integriteit (behalve op papier) gewaarborgd. 

Het is in deze ambiance dat wetenschappers en persbureaus van universiteiten voor het grote publiek hun gezag verloren, ‘geholpen’ door de massamedia. Nog altijd verkondigen wetenschappers dat niet wetenschappelijk bewezen uitspraken subjectief zijn. Dat waarheden die niet betrekking hebben op de materiele wereld relatief zijn en cultureel bepaald. Dat dat soort waarheden vooral ‘talig’ is, en feitelijk betekenisloos. Geen wonder dat een groot deel van de burgers er inmiddels van overtuigd is dat alle waarheidsclaims subjectief en relatief zijn, ook wetenschappelijke. Behalve natuurlijk hun eigen overtuigingen.

Metafysica en Ethiek als onderdeel van de Filosofie verdwenen na de Tweede Wereldoorlog van de universiteiten. Immers er waren in de visie van de ‘harde wetenschap’  geen  algemene uitspraken mogelijk over het doel van de kosmos, over moraal en onderliggende ethiek: over hoe een mens moet leven of hoe mensen moeten samenleven. Filosofie en ethisch-morele oordelen werden onderdeel van gespecialiseerde deskundigen, die dan wel geen ware uitspraken konden doen, maar slechts de weegschaal konden optuigen voor ‘maatschappelijke discussie’. Statistisch onderzoek werd het middel om overtuigingen van burgers te inventariseren, ‘nudging’ via publiciteitscampagnes (Sire etc.) om burgers een beetje naar maatschappelijk aanvaardbaarder overtuigingen te duwen. 

Wat helemaal niet meer past in het harde productieve plaatje van de wetenschap zijn de ervaringen van 130 generaties Europeanen sedert de oude Grieken, van 2500 jaar Europese beschaving. Wetenschap en kennisverwerving richt zich in de eerste plaats nog op de toekomst.

Vergeten zijn de kern overtuigingen uit het Griekse, Romeinse en Christelijke denken van al die eeuwen:

  • dat we transcendente wezens zijn die zich altijd zullen afvragen ´waartoe wij op aarde zijn´, waarom er ‘iets’ is in plaats van ‘niets’, wat onze betekenis is in de kille kosmos. Dat we elkaar daar altijd verhalen over zullen blijven vertellen ook al beschouwen wetenschappers dat als een weinig volwassen behoefte.
  • dat de mens gemakkelijk geneigd is tot kwalijk gedrag jegens anderen, als hij zich slechts laat leiden door zijn de menselijke begeerten, waaronder vooral ook de hang naar status (en roem). We willen wel gelijk zijn, maar vooral ook beter dan de ander. Een hogere positie op de apenrots.

In de pre-industriële Europese cultuur hielden filosofen zich eindeloos met dit soort vragen bezig. Niet alleen met God, maar vooral ook met de mens. Meer dan 50 gevoelens/emoties werden onderscheiden welke optreden als motief en gevolg van handelingen van – en tussen mensen. De meeste van die beschrijvingen staan tegenwoordig alleen nog in woordhoekjes van kranten. De jongere generaties zijn er niet meer mee bekend. Maar zij zouden die beschrijvingen van gedrag en emoties nog altijd prima herkennen als wat specifiekere en diepgaandere invulling van ‘leuk’ of ‘niet leuk’. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *