Wij moderne mensen zijn heel anders dan mensen van vroeger (wat we geloven 6)

De eerste mensachtigen ontstonden al enige miljoenen jaren geleden. Onze soort, homo sapiens, naar we nu weten rond 150.000 jaar geleden. Bij een generatietijd van 20 jaar, betekent dit dat er sedertdien circa 7.500 generaties mensen elkaar hebben opgevolgd. Even ter vergelijking: tussen ons en de oude Grieken van 500 voor Christus zijn dat ‘slechts’ circa 130 generaties.

Waarom deze getallen? Omdat bij iedere beschouwing over de mens duidelijk moet blijven dat de recente moderne Europese mens van na de Tweede Wereldoorlog miljoenen jaren biologische evolutie, meer dan honderdduizend jaar culturele ontwikkeling en meer dan 2500 jaar maatschappelijke ontwikkeling achter de rug heeft. Die biologische en culturele ontwikkelingen zijn diep ingekerfd in onze genen.

Mensen zijn sociale groepsdieren met een uiterst verfijnd gevoel (gebaseerd op onderliggende fysieke emoties) voor onderlinge verhoudingen binnen de groep. Aanvankelijk was die groep niet erg groot, omdat ze rondzwervend al jagend en plukkend dagelijks in hun onderhoud moesten voorzien, circa 20 – 50 personen. Pas circa 12.000 jaar geleden ontwikkelde zich de landbouw en daarmee vaste woonplaatsen. Vanuit de menselijke biologische evolutie gezien is dat maar een uiterst korte periode: onze genetica, onze lichamen en onze emotionele bedrading, zijn nog altijd die van die van de kleine zwervende groepen mensen.

In ‘the Goodness paradox’ beschrijft Richard Wrangham de laatste wetenschappelijke stand van antropologisch onderzoek naar de leefwijze van onze jagende en verzamelende voorouders. Hij beschrijft hoe er in die kleine groepen sprake was van:

  • het overheersende belang van eenheid binnen de groep voor de overleving van een ieder;
  • volstrekte gelijkheid tussen mannen en vrouwen, ook in de zorg;
  • een bijna stilzwijgende sociale controle: de regels voor de onderlinge omgang  waren volstrekt duidelijk, overtredingen werden nauwelijks getolereerd en leidden tot gevoelens van verlegenheid en schaamte;
  • weinig passieve agressie onderling;
  • een vanzelfsprekende taakverdeling tussen mannen en vrouwen op fysieke kracht en verfijnde motoriek, alsmede tussen maken(gereedschap) en zorg (geneeskunde);
  • volstrekte monogamie, immers buitenechtelijke relaties waren te bedreigend voor de eenheid van de groep (al zal er best wel eens een stiekem nummertje gemaakt zijn);
  • opvoeding van kinderen alleen door voorbeeldgedrag; zorg voor de kinderen vanzelfsprekend door de hele groep;
  • absoluut respect voor de oudere leden van de groep, die de meeste overlevingservaring hadden, en automatisch een zwaardere stem hadden in groepsbeslissingen;
  • Gemeenschappelijk gedeelde ‘waarheden’: dat wat zichzelf bewezen had als goede overtuiging;
  • harde dodelijke geplande agressie door mannen, maar alleen af en toe gericht op leden van andere groepen: wij versus zij.

De tien geboden van de bijbel (meer dan 3000 jaar geleden vastgelegd) geven een goed beeld van de regels in die kleine rondtrekkende clans, behalve die over God, want mensen waren in die tijd animistisch: de geesten van de wereld woonden rondom hen.

He leven in die tijd was om met de filosoof Thomas Hobbes te spreken: ‘poor, nasty, brutish, and short’. Maar het leven was ook goed en feestelijk. Er werd maar een relatief klein gedeelte van de tijd ‘gewerkt’. Werk in het zweet uw aanschijns werd pas de regel in de vaste woonplaatsen rond de landbouw. Toen ontstond voor het eerst een heersende klasse gebaseerd op grondbezit, geweld en dwang.  

Door de geschiedenis heen vinden we volgens de fameuze sociaal psycholoog Jonathan Haidt overal op aarde de algemene menselijke waarden, die nog terug te voeren zijn op het leven in die kleine groepen:

  1. Autoriteit. Gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de Groep, aan God of een ander gezag dat boven ons gesteld is.
  2. Loyaliteit aan gezin, familie en de groep waar een mens deel van uitmaakt.
  3. Rechtvaardigheid. Ieder heeft recht op het zijne, op zijn of haar leven, op een waardige behandeling, op een aandeel in de samenleving.
  4. Zorg voor de ander. Empathie. Gastvrij voor vreemden.
  5. Respect voor de wijsheid van ouderen.
  6. Heiligheid. Het onaantastbare. Dat wat niet ter discussie mag staan. Traditie. Dat wat we gezamenlijk beleven als het hogere.

En dus vormde het aan die waarden gerelateerde kwaad: de ondermijning van de groep of het gezag, verraad naar de familie en de groep, bedrog en machtsmisbruik, gebrek aan medeleven en gastvrijheid, gebrek aan respect en ontheiliging van het heilige.

Waarom dit betoog? De vraag is of wij als moderne mensen werkelijk zoveel verschillen van mensen 12.000 jaar geleden. Tot ver in de twintigste eeuw was geen sprake van individualisme. We waren een persoon die bij een bepaalde groep hoorde.

Wellicht zijn we door onze huidige bewuste overtuigingen wel ver afgedreven van wat als mens in ons onderbewustzijn via onze genen is ingebouwd. En vormt dat onderdeel van de altijd weer dubbelzinnige of zelfs gespleten identiteit van de moderne Europese mens.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *