We moeten streven naar nuttigheid (wat we geloven 3)

Eind 18e eeuw werd filosofisch niet alleen de idee over de menselijke vrijheid algemeen omarmd maar ook het idee van nuttigheid als moreel kernbegrip voor het menselijk handelen. De Engelsman Jeremy Bentham (en anderen) poogden ‘wetenschappelijk’ vast te stellen op welke wijze de mens en de menselijke samenleving het gelukkigst zou kunnen worden.

Wikipedia omschrijft het utilitarisme als een ethische stroming die de morele waarde van een handeling afmeet aan de bijdrage die deze handeling levert aan het algemeen nut, waarbij onder algemeen nut het welzijn en geluk van alle mensen wordt verstaan. Ieder mens handelt volgens Bentham uiteindelijk van minuut tot minuut slechts vanuit het basismotief: pijn vermijden en plezier verwerven. Dus nuttig is wat de aftreksom van plezier en pijn zoveel mogelijk maximaliseert. Dat geldt ook voor de samenleving als geheel: een overheid moet streven naar de maximale aftreksom van plezier en pijn voor alle burgers tezamen. Bentham deed allerlei tevergeefse pogingen om wetenschappelijke rekenmodellen te ontwikkelen om die nutsmaximalisatie uit te kunnen rekenen.  

Het morele nuttigheidsbegrip over gelukmaximalisatie heeft op de ideeën van de moderne Europese mens een enorme invloed gehad. Maximalisatie van ‘nut’ zowel door individu als overheid heeft tot veel vanzelfsprekendheden geleidt, waarvan we niet eens meer weten dat het kwestie van geloof is, onderdeel van onze nieuwe religie:

  • Zoveel mogelijk winst tegen zo gering mogelijke kosten (winstmaximalisatie);
  • Zoveel mogelijk resultaat met zo weinig mogelijk middelen (efficiency);
  • Zoveel mogelijk zaken kunnen kopen tegen de laagste prijs (consumentisme);
  • Zoveel mogelijk verdienen met zo weinig mogelijk inspanning (monopolies);
  • Zoveel mogelijk standaard produkten en diensten te leveren door bedrijfsleven en overheid om kosten te beperken (standaardisatie);
  • Zoveel als mogelijk kwaliteit van produkten en diensten uitdrukken in meetbare getallen omdat kwaliteit geld kost;
  • Zoveel mogelijk banen van werknemers standaardiseren om het meeste resultaat per minuut arbeidstijd te krijgen (protocoliseren) 
  • Zoveel mogelijk machines en computers inzetten om de kosten van arbeid zo laag mogelijk te houden (automatiseren);
  • Zo weinig mogelijk tijd besteden aan onnuttige zaken;
  • Haast hebben werd nuttig. Tijd werd geld. Et cetera.

Voor de 19e -eeuwse handelaren en fabrikanten was de nuttigheidsfilosofie van Bentham de opmaat naar het versnellen van de industriële revolutie welke werd aangedreven door wetenschap en technologie. Bentham c.s verschaften de morele rechtvaardiging voor hun materialistische amorele handelen, welke de Christelijk religieuze geloofsovertuigingen hun onthielden.

In de tweede helft van de 19e eeuw waren de ideeën over vrijheid en nuttigheid inmiddels gemeengoed geworden bij de progressieve burgerij. De politieke basis voor het denken van de (toen nog als radicaal beschouwde) liberalen. Honderd jaar later is nuttigheid inmiddels een dogma van ons nieuwe economisch geloof geworden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *