31 Redenen waarom men wetenschap (te) lastig vindt en wantrouwt

  1. De meeste mensen weten nauwelijks wat wetenschap inhoudt en hoe ze werkt. Onbekend maakt onbemind, vooral als het je beter uitkomt.

2. De meeste mensen weten niet het verschil tussen empirische (harde bèta) wetenschap en niet empirische (zachte alpha en gamma) wetenschap en hun respectievelijke onderzoeksmethoden.

3. De meeste mensen maken geen onderscheid tussen wetenschappelijk onderzoek (kenniswerk in ontwikkeling), consensus-wetenschap (kennis waar geen wetenschapper meer aan twijfelt) en de harde wetenschappelijke methode (het experimenteel testen van hypothesen en die proberen te verwerpen).

4. Moderne wiskunde en statistiek zijn voor de meeste mensen nauwelijks te begrijpen (liever verhalen dan cijfers, liever plaatjes dan formules en curves). Dat maakt wetenschap onpopulair.

5. De meeste mensen hebben grote moeite het verschil te zien tussen pseudo-onderzoek (feiten- en methodenvrij zwammen), correlatief-onderzoek (zoeken naar mogelijke samenhang) en causaliteitsonderzoek (zoeken naar oorzakelijke samenhang).

6. De meeste mensen maken geen onderscheid tussen fundamentele wetenschap (meestal komend uit universiteiten) en toegepaste wetenschap (technologie, die meestal komt uit het bedrijfsleven), waardoor de kwalijke kanten van technologie afstralen op de wetenschap (‘Die natuurkundigen en chemici schepen ons mooi op met nucleair en chemisch afval, biowapens,  biogif en de bom’).

7. Men maakt slecht onderscheid tussen wetenschappelijke kennis en de politieke vertaling ervan. Een slechte politieke vertaling straalt gemakkelijk af op de geadviseerde wetenschappers.

8. Wetenschappelijk gezag (gezag überhaupt) is een moeilijke zaak in een individualistische, egomanische maatschappij (‘Ja, die hoge heren en knappe koppen, ik weet het niet hoor….’).

9. Onwelgevallige wetenschappelijke berichten en waarschuwingen negeert men gemakkelijk (b.v. over alcoholconsumptie, obesitas, vakantievliegen, etc.) of schuift men voor zich uit (b.v. over klimaatopwarming).

10. De wetenschappelijke methode liegt niet, maar een wetenschapper kan soms wel liegen (vanwege subsidie, status, belangenverstrengeling). Men vergeet echter dat wetenschappers aan een serie toetsingsverplichtingen moeten voldoen alvorens zij mogen publiceren. Glippen zij toch door de mazen van het net dan straalt dat negatief af op de wetenschap in het algemeen (‘Die reviewers en commissies vertrouw ik ook niet meer’).

11. Liever esoterie en astrologie (‘Er is meer tussen hemel en aarde…’) dan meteorologie en astronomie (antwoord: ‘Ja klopt, een boel lucht en leegte’). De zogenaamde ‘alternatieve manier van denken’ op gelijke voet stellen met de wetenschappelijke methode is narcistische waanzin.

12. Emotionele logica (op louter gevoel en intuïtie vertrouwen) en verstandelijke logica (zorgvuldig, methodisch nadenken) lopen bij de meeste mensen vaak door elkaar: emotionele logica ‘voelt beter…..kan je niet uitleggen’*.

13. Regressie naar het simpele (liever iets simpels of dogmatisch begrijpen dan tegen het onbegrijpelijk complexe oplopen) voorkomt dat men zichzelf dom vindt.

14. Achterdochtige slachtofferisten zijn een gemakkelijke prooi voor wervende complotdenkers die per definitie anti-wetenschap zijn.

15. Mis- en desinformatie zijn soms moeilijk te onderscheiden van wetenschappelijke kennis.

16. Argumentatieleer (zonder drogredeneringen leren debatteren): ‘Nooit van gehoord’.

17. Denkfouten als ingroup-thinking (wij-denken), cognitieve dissonantie (wegmoffellen van tegenstrijdigheden), observer bias (verwachtingsbevestiging) en confirmation bias (vooroordeelbevestiging) overvleugelen vaak het wetenschappelijk denken, want… je wil er in je groep niet uit liggen.

18. Placebo (positieve nep) en Necebo (negatieve nep) zouden het bewijs zijn van het enorme zelfherstellend of zelfziekmakend vermogen van de mens (‘Ze werken ook, dus wat nou wetenschap?’). Homeopathische goeroes en de gigantische gezondheidsindustrie met hun marketeers houden daarom niet van wetenschap of maken er parasitair misbruik van.

19. Magisch denken en bijgeloof liggen altijd op de loer als je erg ziek of angstig bent (‘Want je kan nooit weten of dit middel misschien helpt, toch?’).

20. Leven met onzekerheid wordt slecht verdragen. Harde en zachte wetenschappers verkeren noodzakelijkerwijs altijd in onzekerheid; twijfel is de motor van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht (‘Wat heb je eraan, ze spreken elkaar steeds tegen’).

21. De terechte afbraak van -de mythe van de beheersbaarheid en maakbaarheid- zet onverminderd door (‘Ja, die knappe koppen zullen echt niet overal een oplossing voor vinden!’). Klopt, maar dat is geen reden om je van wetenschap af te keren.

22. Slechte ervaringen met ‘wetenschap’ (‘De dokter zei A maar het was mooi B’).

23. De God geld (economisch eigenbelang) is vele malen machtiger dan de halfgodjes feit, logica en bewijs. De uitspraak ‘kennis is macht’ geldt maar in zeer beperkte mate voor wetenschap, die vrijwel volledig afhankelijk is van de financiering door de belastingbetaler, investeerders, sponsoren en filantropen. Van wetenschap wordt je zelden rijk.

24. De overschatting van ‘de goeie ouwe praktijk’ boven een nieuwe theorie (‘Allemaal theoretisch gelul’). De wetenschap draait het juist om: niets zo praktisch als een goede theorie! Want zonder de quantummechanica geen internet, MRI-scan, smartphone, etc.

25. De fobie voor nadenken (denken is niet inspannend, diep nadenken kost veel moeite, veel tijd en frustratie). Wetenschap bedrijven is monnikenwerk dat veel teleurstellingen en mislukkingen met zich meebrengt*.

26. Analfabetisme, dyslexie, dyscalculie, cognitieve stoornissen en beperkingen (‘Ik snap er allemaal helemaal niks van’) plus ‘de grote ontlezing’ beïnvloeden het begrip voor wetenschap negatief.

27. De persoonlijkheidskenmerken van de Big-Five doen ertoe. Met name hoge scores op neuroticisme, meegaandheid en extroversie, plus lage scores op openheid/nieuwsgierigheid en zorgvuldigheid, beïnvloeden het ‘logisch nadenken’ en het begrip en geduld hebben voor wetenschap negatief.

28. Intelligentie (vnl. probleemoplossend vermogen) is een taboe-onderwerp bij een gelijkheidsideologie (gevolg is een imagoprobleem voor wetenschappers: ‘Boekenwurmen, kamergeleerden, nerds, betweters, wijsneuzen’, etc.).

29. Wantrouwen in de media (‘die zogenaamde onafhankelijke, onpartijdige, objectieve media, (ze kunnen mij nog meer vertellen’). Bovendien, er zijn maar zeer weinig wetenschapsjournalisten met een wetenschappelijke opleiding in vaste dienst bij de mainstream media.

30. Het woke- en genderactivisme geeft je permissie om wetenschap af te doen als ‘een witte mannen uitvinding’. Universitaire docenten zijn zeer beducht om uitgemaakt te worden voor racist, sexist, fascist, micro-agressief, onveilig, e.d. De huidige politisering van universiteiten en onderzoekprogramma’s zetten wetenschap ‘under a dark cloud’**.

31. Religie geeft je de permissie om wetenschap te negeren of te devalueren (het bijbelbeltdenken).

Deze lijst is zeker niet uitputtend maar illustreert hopelijk wel aan welke negatieve krachten de wetenschap en wetenschappers buiten de eigen kring bloot staan. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de kwalijke krachten binnen de eigen kring.

Een aantal items (mn. 9,12, 20, 23, 25) lijken vanuit een neuroscience perspectief een onderliggend mechanisme te hebben dat voortkomt uit de bouw en functie van ons brein. Het beloningscentrum in ons brein reageert veel krachtiger met korte termijn bevrediging (suiker en alcohol, likes, emo-tv, gamen, status- en funaankopen, bonus en beurswinst, e.d.) dan met een bevrediging die men pas op lange termijn ervaart (lange gezondheid, een schoon leefmilieu, zelfredzame kinderen door goede opvoeding, e.d.). Wetenschappelijke bevrediging komt vaak pas na lange periode van monnikenwerk.

* Overigens is het niet zo dat wetenschap louter en alleen bestaat uit logisch, analytisch, methodisch (linker hersenhemisfeer) denken. Goede wetenschap gaat ook gepaard met een dosis intuïtief, synthetisch, creatief out of the box (rechter hersenhemisfeer) denken. Of zoals Einstein het uitdrukte: ‘Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal’. En: ‘Je kunt een probleem niet oplossen met een denkwijze die het heeft veroorzaakt’.

** ‘The Parasitic Mind. How Infectious Ideas Are Killing Common Sense’; Gad Saad, 2020. 

Is Rutte een stille misogynist?

Er mag niet uit de school geklapt worden binnen het kabinet/de ministerraad. Dat lijkt me een goede vertrouwensregel om te voorkomen dat half Nederland gaat meeregeren, de media elk meningsverschil gaat uitvergroten en je als kabinetslid je mond niet meer durft open te doen op straffe van trial by media. De vergaderingen vallen formeel onder het staatsgeheim.

Minister Bijleveld vindt dat kennelijk niet en vertelt RTL dat vrouwelijke kabinetsleden Rutte hebben aangesproken op de wijze waarop hij de vrouwelijke ministers zou behandelen. Prima als zij dat doen, als dat het geval is, maar 1) hou het binnenskamers en 2) als je dat niet wenst te doen toon dan wel aan dat Rutte’s kwalijke bejegening waar is. 

– Klopt het dat Rutte de vrouwelijke ministers eerder onderbreekt dan de mannelijke ministers*? Hoe weet je zoiets? Spreektijd opgenomen? Onderbrekingen geteld? Is dat  bij elk agendapunt zo, of bij agendapunten waar een minister meer of minder bij betrokken is? Vinden alle zeven vrouwelijke kabinetsleden dat, of niet? Vinden de negen mannelijke ministers dat ook, allemaal of enkele? Of doet het er niet toe dat de mannelijke ministers dat wel of niet vinden en alleen de vrouwelijke ministers wel? En als Rutte ze afkapt, is er dan ter plekke gevraagd naar de reden daarvoor? Onduidelijk

– De andere klacht was dat Rutte de vrouwelijke ministers niet serieus lijkt te nemen. Wanneer voel je je serieus genomen? Pas als je volledig en ongeïnterrumpeerd uitgesproken bent? Pas als je standpunt wordt overgenomen, anders niet? Zoiets kun je alleen zeggen als je meerdere voorbeelden hebt waar dat uit zou blijken, maar ja, dan klap je inhoudelijk uit de school, en dat kan weer niet. Is het fair-play als Bijleveld een klacht naar buiten brengt waarbij andere vrouwelijke klagers anoniem willen blijven? Was dat gezamelijk afgesproken, dat Bijleveld hun woordvoerder zou zijn bij het uit de school klappen bij RTL? Onduidelijk.

–  Volgens Bijleveld zouden vrouwen een andere praatstijl hebben dan mannen, ‘dat blijkt uit onderzoek (b.v. meer doelgericht)’. Dat zal vast wel, in het algemeen. Maar is die algemeenheid hier ook toepasbaar op alle vrouwelijke ministers, in deze vergadercontext? Onduidelijk.

Trouwens, over welk onderzoek hebben we het? Er zijn zoveel genderonderzoeken over de sekseverschillen in communicatiestijl, en niet altijd ‘ten gunste’ van vrouwen. Maar ook mannen hebben onderling een heel verschillende debatstijl, die vaak erg afhankelijk is van het onderwerp ter tafel, de urgentie van het onderwerp, de betrokkenheid bij het onderwerp, wie ze tegenover zich hebben, in hoeverre hun verantwoordelijkheid en positie in het geding zijn, en tien andere redenen. Bovendien, de mannen en de vrouwen zullen het met elkaar moeten redden, verschil of niet, blijf op de bal spelen en niet op de persoon. En als het soms wel op de persoon is dan spreek je daar iemand op aan, niet achteraf in de media gaan klagen. Drie belangrijke handboek argumentatieregels**zijn: niet op de man spelen (argumentum ad hominem), niet een beroep doen op medelijden/slachtofferschap (argumentum ad misericordiam), geen ‘hermetische of essentialistische argumenten’ gebruiken (mannen/vrouwen/Afrikanen/allemaal… zijn van nature…..). Lijkt me de beste manier om seksediscriminatie (en etnische) te bestrijden.

-Volgens Bijleveld zou Rutte ‘geen geduld hebben als vrouwen een onderonsje hebben en bij mannen heeft hij dat wel’. Hoezo hebben vrouwelijke ministers onder-ons-jes? Omdat ze vrouw zijn? Dat klinkt nogal  seksistisch, als een vergadertactische zet***. Of omdat ze toevallig naast elkaar zitten? Dan is het vrouw of man zijn niet relevant om te benoemen. En als mannen met elkaar praten is dat dan een onder-ons-je? Dat kun je alleen zeggen als vrouwen ervan uitgesloten worden, en is dat het geval bij de mannelijke ministers? Onduidelijk. 

Je kunt niet zomaar iets beweren of suggereren zonder dat je dat grondig met elkaar (en niet alleen met Rutte) uitzoekt. Anders is het polariseren, insinueren, kwalijke retoriek en dat schaadt de samenwerking. Als mannelijke kiezer wil je dat niet, en als vrouwelijke kiezer zul je dat ook niet willen, neem ik aan.

– Er is een gesprek geweest tussen de vrouwelijke bewindslieden en Rutte over deze kwestie, en na dat gesprek ‘is dat (gevoel) niet helemaal verdwenen’. Dat klinkt als een schot voor de boeg: kan Rutte nu nooit meer een bewindsvrouw afbreken, ook al is het nog zo terecht? Want ik hoor het ze al zeggen: ‘we hebben het er nog zo over gehad’! 

– Rutte reageerde op deze kwestie door ook uit de school te klappen; hij kon natuurlijk niet anders want anders zou hij zich ‘verdacht maken’. Maar zijn reactie was (sekse)neutraal: ‘dit is tegen mij gezegd en ik ben er op gaan letten, zowel bij de mannen als de vrouwen’. Rutte zegt, ook na een week zelfreflectie en desgevraagd bij Jinek en WNL, dat hij de 16 bewindsvrouwen en mannen voortdurend interrumpeert, om de vergadering strak te kunnen leiden en dat hij de klacht nog steeds niet herkent.

Het punt is: je kunt je gender (of etniciteit) nooit als argument voor je gelijk gebruiken, het is valsspel. Als je dat wel doet vergiftig je de samenwerking en dat hebben we zeker in deze lastige tijden niet nodig. Geen misogynie en misandrie, niet in verkiezingstijd, niet in de Eerste en Tweede Kamer, niet in het kabinet, nergens en nooit niet.

* Het fenomeen ‘manterruption’ en ‘mansplaining’ (mannen zouden vrouwen sneller interrumperen dan mannen) zou in bepaalde onderzoeksettingen bestaan. De vraag is of dit een strikt gendergebonden fenomeen is dat geldt voor elke setting, onder alle omstandigheden, onafhankelijk van onderwerp, expertise, groepsgroote, tijdsdruk, ed. (zie YouTube).

** Er is veel literatuur over wat een goede manier is om meningsverschillen op een redelijke wijze op te lossen en om de (on)deugdelijkheid van argumentaties te analyseren en te beoordelen. Een klassieker is: F.H. van Eemeren, e.a. (2016/5e druk) Argumentatie. Noordhof Uitgevers.

 *** Een bekende vrouwelijke vergadertactiek om ‘vergaderdominante mannen’ tegengas te geven is de onderlinge afspraak om het standpunt van een vrouwelijke spreker te versterken door elke volgende spreekster het standpunt te laten herhalen. (Annedieke Kuchler, Reporters Online, 11-03-21).

Ayaan Hirsi Ali’s nieuwste boek: ‘Prooi’

Ayaan Hirsi Ali’s nieuwste boek ‘Prooi’ (2021) is interessant omdat het een taboe bespreekt. Kleine en grote taboes zijn altijd interessant: je ziet ze niet maar je ruikt ze wel. En hoe groter het taboe hoe harder de tanden uit de bek van de ‘taboeverrader’ geslagen moeten worden. 

Het boek gaat over de mislukte integratie van moslims in de Westerse wereld. Meer specifiek over het seksuele geweld (m.n. publieke groepsverkrachting) van voornamelijk jonge moslims tegen westerse en niet-westerse vrouwen. Haar benadering van het ‘islamprobleem’ is breed: gruwelijke anekdotische verhalen, socioculturele beschouwingen, wetenschappelijk onderzoek, cross-culturele vergelijkingen, analyses van mislukte hulpverlening aan moslimvluchtelingen en immigranten, ed. Enfin, te veel om op deze plek over uit te weiden; ik raad u aan het boek eens te lezen. 

Het boek zelf zal ook weer taboe worden, zowel binnen de moslimwereld als daarbuiten, bij degenen die aan hun eigen populistische vooroordelen en politieke correctheid willen vasthouden. Wat dat betreft is niet alleen de inhoud van het boek interessant maar ook hoe binnenkort de recensenten uit de journalistieke, religieuze, culturele, politieke en wetenschappelijke wereld er op gaan reageren. Let dan vooral op de drogredeneringen, bijvoorbeeld:  ‘Ik twijfel aan haar intelligentie en analytisch vermogen’. Of: ‘AHa komt met ondoordachte oplossingen’. Of: ‘jonge mannen gebruiken hun energie soms voor gedrag dat ongepast en soms strafbaar is’. Of: ‘AHa bedoelt ze dat iedereen moet denken zoals zij’ (1). En de psychologische afweermechanismen uit de Moslimwereld , b.v. de ontkenning van medeplichtigheid aan eremoord door familieleden en het projecteren van onverdraagzaamheid en hypocrisie op de westerling. En allerlei vormen van afgedwongen groepsdenken die er toe dienen man en paard niet te benoemen.

Er zijn uiteraard verschillende categorieën taboes:

  • universeel transculturele taboes (incest, seksuele ontrouw van vrouwen, ongeritualiseerde lijkbehandeling);
  • traditioneel culturele taboes (het merendeel m.b.t. seksueel gedrag en de asymmetrische man/vrouw verhouding;
  • specifieke subcultuur gerelateerde taboes, zowel binnen de politieke ‘vijandige’ salafistische groeperingen, als binnen de liberale, ‘aangepaste’ islamitische groepen en de ‘afzijdige’ islamitische groepen binnen Europa.

De instandhouding van niet-westerse taboes berust op een strenge sociale afwijzing en uitsluiting, waarbij er een verband lijkt te zijn tussen de grootte van het taboe en de mate waarin taboe-opleggers fysiek en sociaal geweld gebruiken. Binnen de islam, die uiteraard geen monocultuur is, is er m.b.t. moslima’s sprake van een glijdende schaal, die loopt van (on)wettig doden en vogelvrij verklaren, via huiselijk fysiek geweld, genitale verminking, uithuwelijken, binnenshuis blijven met meerdere kinderen, verbod op werken en taalintegratie, tot aan intimiderende waarschuwingen en schuldinducerende opmerkingen (2). 

Een belangrijk aspect daarbij is in hoeverre het spreken over een taboe (en zelfs denken erover) op zichzelf al verboden is of dat alleen het grensoverschrijdende taboegedrag verboden is, hetgeen bij seculiere of religieuze wetgeving of traditie geïnstitutionaliseerd is. In de westerse wereld is er eigenlijk geen taboe meer dat onbesproken is. In de islamitische wereld is de seksualiteitsbeleving, seksueel gedrag en opvoeding vrijwel onbespreekbaar. Dat maakt dat culturele zelfkritiek en dus hervormingen op het punt van de seksuele moraal onmogelijk is. Laat staan dat kritiek vanuit een andere cultuur getolereerd wordt. Het maakt dat elke cross-culturele dialoog over botsende waardesystemen niet tot stand kan komen. Zelfs niet in een brede zin van een waarden/normen-discussie omdat daarbij direct de asymmetrische verhouding tussen mannen en vrouwen aan de orde is. En daarbij kan het onderwerp seksualiteit natuurlijk niet onbesproken blijven.

Buiten het Westen kan die culturele clash wel onbesproken blijven maar wanneer de schaal van massamigratie, vooral naar de grote Noord-Europese steden, zo groot wordt dat er problematische parallelle samenlevingen ontstaan, dan kan het westen zijn ogen en oren niet meer sluiten en die cultuurdialoog uit de weg gaan. En dat is wel wat ze doet, want er is weinig statistiek (vanwege het verbod op etnisch/religieus registreren) en geen diepgaand publiek debat gaande met belangrijke islamvertegenwoordigers. 

 AHa waarschuwt tegen de westerse politieke correctheid, tegen het cultureel relativisme en de naïeve ideologie van een multiculturele samenleving. Ze is daarmee niet van een afvallige moslima een islamofobe seculier geworden. Ze schrijft genuanceerd en toont wel degelijk ook compassie met de jonge islamitische mannen en vrouwen van wie men niet kan verwachten dat zij binnen een generatie een snelle cultuuraanpassing ondergaan (3).

Een cultuurverandering waar westerlingen honderden jaren over hebben gedaan: rationalisering, individualisering en secularisering. Ze wijst erop dat migratie, etnische en religieuze discriminatie, armoede, criminaliteit, werkeloosheid, krappe behuizing, e.d. niet in de eerste plaats een Europees politiek probleem is, maar een uitvloeisel van een diepgeworteld cultureel waardenprobleem dat hoognodig geadresseerd moet worden om te voorkomen dat er grote sociale onrust ontstaat en de moeizame verworvenheden van de vrije liberale samenleving in het nauw komen. 

Het probleem met de islam is dat het vrijwel altijd geweld gebruikt om het taboe op seksualiteit en de patriarchale man/vrouw-verhouding in stand te houden. Iets wat bijvoorbeeld onder Chinezen, Vietnamezen, Sikhs en Hindoes in Europa, Amerika, Canada en Australië in veel mindere mate voorkomt.

Het probleem met de Westerse cultuur is dat ze voor het taboe op misogynie en misogyn geweld teveel respect heeft. Waarschijnlijk voortkomend uit een misplaatst koloniaal schuldgevoel (alle belangrijke culturen waren wreed koloniaal en tegenwoordig zacht neo-koloniaal). Of een misplaatst schuldgevoel over hun slavernijgeschiedenis (alle expansieve culturen hielden slaven en buiten Europa leven nog steeds zo’n 45 miljoen mensen in verborgen slavernij (4). Of een zeer racistisch oorlogsverleden (zoals in Duitsland: ‘wir schaffen das’). Dubbelzijdige vermijding: een sleutel-op-slot-situatie.  

AHa verwacht niet dat de oplossing voor de culturele waardenclash van de moslimmannen zal komen, zij zullen hun dominante positie niet opgeven. Ze schrijft: ‘Het is inmiddels een waarheid als een koe geworden dat ‘vrouwen de oplossing zijn voor het integratieprobleem. Ik ben het daar mee eens’. En daar ben ik het weer mee eens. Onze West-Europese geschiedenis laat telkens zien dat het de vrouwenemancipatiebewegingen waren die de doorslag hebben gegeven tot een meer egalitaire man/vrouw-verhouding.

Misogynie vindt men in vrijwel elke cultuur, maar het minst in de westerse, en dat gegeven is door westerse vrouwen duur bevochten. De westerse overheden en maatschappelijke instanties zouden er goed aan doen om vooral jonge islamitische vrouwen en kinderen tegen geweld te beschermen, om seksuele voorlichting verplicht te stellen, om hun onderwijscarrière sterk te stimuleren, om hun economische onafhankelijkheid te ondersteunen, en hun geëmancipeerde rolmodellen in de kunst, wetenschap, sport en techniek te promoten. 

Tenslotte komt AHa met een aantal suggesties voor Europese leiders om het asiel- en vluchtelingensysteem te hervormen. Onderwerpen als asielprocedures, taal-en inburgeringsscholing, repatriëringspolitiek, ontwikkelingshulp, grensbewaking, straf- en staatsrechtelijke aanpassingen, sociale bijstandspolitiek, e.d. komen aan de orde. 

Wat u er ook allemaal van vindt: een goed, perspectivisch boek, om ter harte te nemen.

(1) NRC, 24 febr 2021. Hirsi Ali’s ‘oplossingen’ zijn ondoordacht. De recensent (godsdienstwetenschapper) gebruikt herhaaldelijk drogredenen: ad hominem (spelen op de man/vrouw i.p.v. het argument), stroman (het standpunt van de tegenstander anders of minder genuanceerd voorstellen dan er staat). 

(2) In een interview met de VK vertelt de schrijfster Lale Gül aan welk sociaal geweld uit haar moslimgemeenschap ze onderhevig is sinds de publicatie van haar debuutroman ‘Ik ga leven’. Ze besloot zich noodgedwongen volledig terug te trekken uit de publiciteit. (VK, 26 febr. 2021, Interview: ‘Lale Gül schreef een boek over haar streng-Islamitische opvoeding en werd verketterd: ‘Ik wordt een nestbevuiler genoemd’.

(3) Zie ook een recent interview met AHA op YouTube.

(4) Walk Free Foundation; Global Slavery Index 2016: wereldwijd 45,8 miljoen slaven waarvan 58% in India, Pakistan, China, Bangladesh, Oezbekistan. Definitie moderne slavernij: als een persoon onder de controle staat van een ander persoon die geweld en dwang toepast om die controle in stand te houden, en als doel van die controle uitbuiting is (dwangbarbeid, seksslavernij, schuldslavernij, mensenhandel, kindslavernij, huishoudelijke slavernij, e.a.).

Over onafhankelijke, onpartijdige en kritische journalistiek (2)

De journalist wordt van boven getrapt, van onder geschopt en van binnenuit gepushed. Hij is niet vrij maar moet werken binnen de parameters van zijn vak. Die parameters bestaan gedeeltelijk uit een journalistieke gedragscode waarmee hij getoetst kan worden door de Raad van de Journalistiek. De R.v.J. bestaat echter voor de helft uit journalisten en kan geen beroepssancties opleggen. De slager keurt zijn eigen vlees. Bovendien, niet alle dagbladen hebben zich aangesloten bij de procedures van de R.v.J. (b.v. het Parool).

De andere parameters bestaan uit ongeschreven regels die ook maken dat de rol van journalist als ‘onafhankelijk, onpartijdig, kritische weergever van de realiteit’ een mythe is:  

  1. Bijt niet de hand die je voedt.

Mediaorganisaties zijn bedrijven. Bedrijven hebben een hiërarchische organisatie: journalisten, redacteuren en een hoofdredacteur. De journalist schrijft, de redacteur bepaalt of het goed genoeg is. De redacteur kan opdracht geven over een bepaald item te schrijven en niet over een ander. De hoofdredacteur heeft de eindbeslissing. Je bent niet vrij te schrijven wat je wilt, je gaat door filters (1). Politieke, commerciële en smaakgekleurde redactionele filters. Er zijn links en rechts gekleurde filters. Hot news is commercieel altijd beter dan slow news. Het aantal clickbaits bepaalt mee wat de waarde van een journalistiek artikel c.q. onderwerp is. Soms ook hoeveel de journalist betaald krijgt voor zijn artikel. Teveel spanningen binnen een journalistiek team over het wel of niet plaatsen van een artikel, en te veel kritiek op elkaar en vooral op de redactiebaas (laat staan de vuile was buiten hangen), het zal onvermijdelijk leiden tot canceling en uiteindelijk tot ontslag (nemen). Er is ongetwijfeld veel journalistieke vrijheid binnen een team, maar er zijn ongeschreven filters en grenzen aan de zogenaamde ‘onafhankelijke journalistiek’.

  • Vergeet nooit wie je broodheer is.

Grote mediabedrijven zijn vaak financiële clusters van kleinere bedrijven die afhankelijk zijn van mediatycoons en investeerders maar allereerst van adverteerders. Redacteuren en journalisten kijken wel uit om publiekelijk al te kritisch op hen te zijn. De mediatycoons zitten aan tafel bij politici van wie ze feed voor en feedback op hun beleid krijgen. En de investeerders en adverteerders kunnen dreigen zich terug te trekken. De abonnementslezers ook, alhoewel, zij hebben geen directe invloed op het nieuwsbeleid. Tv-kijkers veel meer, via dalende kijkcijfers. 

  • Hou je vrienden dichtbij en je vijanden nog dichter.

Als een waakhondjournalist een nieuwsfeit ‘van boven’ haalt, bij de politici, de machtige CEO’s, bestuurders, grote investeerders, etc., dan krijgt hij natuurlijk alleen toegang als hij een vriendelijke werkrelatie met hen onderhoudt. Een kritisch interview mag, maar niet te kritisch, anders is het eens en nooit weer, exit. De ’bazen van boven’ weten natuurlijk ook wel dat waakhond-journalisten een dubbele agenda hebben, net zo als zijzelf ook niet het achterste van hun tong laten zien. Het is een spel van vertrouwen en wantrouwen maar het netto-effect op de journalist is vriendelijke terughoudendheid ten behoeve van toegankelijkheid. Vooral kritische buitenlandse correspondenten en reportagemakers die nog eens terug willen keren naar een niet al te democratisch land moeten pappen en nathouden.

  • Jij kiest niet altijd het nieuws, het nieuws kiest jou ook.

Dit punt ligt in het verlengde van het vorige punt. Als een politicus of bestuurder etc. de krant belt weet je dat het om eigenbelang of propaganda gaat. Als een nieuwsbron belt die een ongemakkelijk feit heeft te vertellen waarbij hijzelf betrokken is, zal hij altijd geneigd zijn een vriendelijke waakhond uit te kiezen voor een interview, niet een bijter. Zo kan het nieuws gemasseerd worden. Als een tipgever ook nog geheimhouding eist dan wordt ‘het schandaal’ gedempt en vertraagd. Lopende een diepgaand journalistiek onderzoek botst de journalist niet zelden op tegen ernstige fysieke bedreiging, of advocaten van de tegenpartij, wat hem of zijn redactie kan doen besluiten met het ‘dure onderzoek’ te stoppen.

  • Goed is wat de kudde samenhoudt, slecht is wat haar ontbindt (Nietzsche).

De mainstream media hebben geen enkel belang bij polarisering en verdeeldheid van het volk, want dat kost lezersabonnementen en advertentie-inkomsten. De mainstream media zullen om die reden het contact met de ‘mainstream massa’ niet willen verliezen, want het lezersvolk vormt zijn inkomen, niet de elite. De ‘amateur journalisten’ en ‘YouTube tv-zenders’ op de social media hebben dat polarisatiebelang wel. Zij kunnen zich een feitenvrije journalistiek permitteren. Het verdacht maken van de reguliere media is een propagandastrategie die er toe heeft geleid dat vak-journalisten over hun schouder zijn gaan kijken, de stickers van hun auto’s halen, beveiligers meenemen en hun dure  camera’s op afstand van de mob houden. De zelfcensuur van de individuele journalist kan hij voor zichzelf houden, maar op de redactievergadering is het een doorlopend onderwerp van gesprek.

  • Je kan alleen liegen als je de feiten kent (M.Heidegger).

Maar soms besluit de journalist toch dat het beter is de feiten niet (volledig) te kennnen, dan kun je toch nog een verhaal verkopen. Dat gebeurt als journalisten niet factchecken, niet minstens twee betrouwbare bronnen gebruiken, geen hoor en wederhoor toepassen. Halve waarheden opschrijven is ook een vorm van liegen. Valse analogieën gebruiken, uitspraken en videobeelden uit hun context halen, overdrachtelijke uitdrukkingen, hyperbolen of framing gebruiken, het hoort er allemaal bij (zie de uitspraken van de R.v.J.). Want waar rook is moet wel vuur zijn, zo redeneert men kennelijk. Nee Heidegger, je kan ook liegen juist als je de feiten niet kent.

Het voordeel van de mediacrisis is dat binnenshuis en buitenshuis een zelfkritische mediadiscussie op gang is gekomen. Dat heeft geleid tot allerlei initiatieven en suggesties om de ‘vrije nieuwsgaring’ te verbeteren. In willekeurige volgorde: geef elk(e) dagblad/omroep/zender een ombudsman; gebruik regelmatig lezer/luisteraar/kijker- enquêtes; organiseer platforms of loketten voor kritische mediagebruikers en publiceer daarover; organiseer podcasts waarin gezaghebbende politici, wetenschappers, technologen, economen etc. met elkaar debatteren; plaats geen triviaal nieuws; plaats bij elk artikel een bronvermelding; gebruik algoritmes voor het opsporen van drogredeneringen in artikelen; redacteuren: maak de diversiteit van het nieuws evenwichtiger; evalueer regelmatig het functioneren van redacteuren; zorg voor meer funding voor degelijke onderzoeksjournalistiek; zoek naar advertentievrije funding (2).

Tenslotte. Journalistiek is een product van zijn tijd. Net zoals filosofie, wetenschap en kunst. De tijd is voorbij om de mythe in stand te houden dat journalistiek objectief, onafhankelijk en onpartijdig is. Die vlag hoog willen houden heeft eerder een paradoxaal effect op de nieuwszoeker en de inmiddels armlastige ‘kwaliteitsmedia’. Er zal een next level journalistiek moeten worden uitgevonden om niet te verzuipen in het huidige mediamoeras. Dat is hard nodig want een democratie kan niet bestaan zonder een vrije pers die de burger een oriëntatie op de wereld geeft. Hoe die next level journalistiek er uit moet gaan zien weten we niet, maar het begint in ieder geval met een grondige zelfreflectie en een hulpvaardige kritiek van buitenstaanders. Één ding weten we wel: journalistiek zal altijd en in de eerste plaats de Grote Factfinder en Factchecker moeten zijn. 

(1) ‘Manifacturing Consent’; N.Chomsky & E. Herman, 1988. De lijn van Chomsky’s vijf filters is in het bovenstaande enigszins aangehouden.

(2) In Nederland heeft de digitale krant ‘de Correspondent’ (70.000 leden) veel van deze initiatieven verwerkt.

Over onafhankelijke, onpartijdige en kritische journalistiek (1)

De journalistiek heeft het de laatste jaren zwaar. Van boven getrapt, van onder geschopt en van binnenuit gepushed. Het publieksvertrouwen in de Nederlandse journalistiek zou het hoogste van Europa zijn (1). Dat is mooi, maar toch, met die prijs kan je twee kanten op. Die beoordeling kan betekenen dat het publiek vertrouwen heeft, maar ook dat het publiek misschien te goedgelovig is.

Net zoals wantrouwen kan betekenen dat men wantrouwt maar ook dat men wellicht overmatig kritisch is. Terecht of misplaatst vertrouwen of wantrouwen, je kan er niet zoveel mee, daarvoor zijn de begrippen vertrouwen/wantrouwen te complex en te gelaagd en te tijds- en onderwerp gebonden. Als psycholoog die 37 jaar dagelijks met cliënten werkte ben je wel een beetje met dat fenomeen bekend.

De crisis in de journalistiek wordt omschreven als ‘vertrouwenscrisis, gezagscrisis, legitimiteitscrisis, objectiviteitscrisis’ wat m.i. in de kern betekent dat de crisis draait om wat een feit eigenlijk wel of niet is. Journalistiek draait om het weergeven van de feiten, hoe men die kan duiden en in een context plaatsen. Een simpel voorbeeld geeft Bas Heijne (2): ‘je kunt een banaan beschrijven (geel, gekromd, zacht, etc.), of als symbool interpreteren (racisme, aap)’. Of contextualiseren (caloriehoudend, exportproduct, camouflage voor coke, etc.). Een feit is een ingewikkeld ding. 

Op zijn allerbest moet een feit m.i.:

1) een betekenis hebben in de zin van wat het betreffende feit precies inhoudt (een definitievorm);

2) verifieerbaar zijn of als zeer aannemelijk worden vastgesteld;

3) voorzien zijn van een betrouwbare bronvermelding;

4) gewogen zijn met de vraag of- en voor wie het feit eigenlijk van belang is om te vermelden;

5) van een ideologische, morele of ethische (nieuws)waarde voorzien worden en

6) in een culturele, historische of wetenschappelijke context begrepen kunnen worden.

Ga er maar aan staan. Voor de dagelijkse nieuwsberichten gaan die hoge kwaliteitseisen nauwelijks op. Voor columns, korte opiniestukken, commentaren en talkshowtafels evenzeer. Voor ongeknipte, wat langere diepte-interviews en essays gaat het al beter. Achtergrondsjournalistiek, langere reportages, documentaires en vooral onderzoeksjournalistiek, waarbij men de tijd en moeite neemt om het onderwerp in de breedte en diepte neer te zetten, die doen het het best. Maar wie leest of bekijkt die nog sinds de Grote Ontlezing en de Netflix Hap?  

De kernvraag die men aan de journalistiek kan stellen is dus: ‘als de journalist claimt ons een objectieve, feitelijke kijk op de wereld te geven, kan hij dan onafhankelijk, onpartijdig en kritisch genoeg zijn?’ Onmogelijk natuurlijk, omdat alleen al een feit weergeven is afhankelijk van de ‘level of analysis’ van de journalist, hoe ver hij wel of niet inzoomt op een kwestie. Kortom hoe diep zijn ‘journalistieke resolutie’ reikt. 

  • De keuze van zijn nieuwsfeit zal ook nog eens samenhangen met de journalistieke rol waarin hij zichzelf ziet. Als waakhond van de democratie? OK, en blaft hij dan alleen naar de elitecultuur van de politici, de CEO’s, de bestuurders en de Big-Techbonzen? Durft hij ook te blaffen naar de massacultuur: de twittermob, de hashtagactivisten, de populistische aanhang, het dorre hout, de comfortabele babyboomers, Henk en Ingrid op de bank (alles lekker, leuk en gemakkulluk)?
  • Of in de rol van doorgeefluik, als mediator tussen de beleidsmakers en de publieke opinie, als onpartijdige aanjager van het publieke debat?
  • Of in de rol van louter observator en informatieverstrekker van wat er omgaat in de wereld van de wetenschap, de kunst, de mode, de sport, de amusementswereld, onafhankelijk van die gecommercialiseerde en gepolitiseerde werelden?

Hoe het ook zij, de journalist heeft, naast zijn formele, professionele gedragscode, altijd te maken met een aantal informele, dwingende regels waarbinnen hij moet functioneren. Dat zijn de ongeschreven, onzichtbare regels waaraan hij niet kan ontsnappen, op straffe van ontslag. Daarover de volgende keer meer.

(1) Volgens het jaarlijks Digital News Report, gebaseerd op onderzoek door het Reuters Institute, Oxford, GB. Zie ook: The World Press Freedom Index staat Nederland op de vijfde plaats van 182 landen.

(2) ‘Mens/onmens’; Bas Heijne, 2020.

Die is gek 4

Een lekker stel bij elkaar: Pols, een ex crimineel, jurist, die zich opstelt als advocaat van viruswaanzin (ik weiger hen anders te noemen) maar het niet is (‘teveel regeltjes in de advocatuur’) en Engel, een narcistische, gepsychopatiseerde complotdenker uit een juridisch smoezelig nest. Ik hou er niet van mensen ad hominem te bejegenen maar als je het te bont maakt door de overheid te beschuldigen van nazipraktijken (wat een belediging is voor oorlogsslachtoffers), door ziekelijk veel te liegen (b.v.‘de IC’s hebben nooit vol gelegen’), door een grenzeloze arrogantie (lees de neerbuigende houding t.o.v. de overheid, RIVM, CIDI, Stg. Skepsis, rechters, media, etc.), ja, dan is een uitzondering op de ad hominem regel wel op zijn plaats. 

De rechter trapt gelukkig niet in hun manipulatie. Ze toets de wet, die te dun blijkt, maar waarvan ze ook wel weet dat die wet niet afgestemd is op een nog nooit eerder in de geschiedenis vertoonde noodsituatie van een pandemie. En ook wel weet dat een razendsnelle wetsaanpassing heel goed mogelijk is. Dus opschorten en dan straks: exit viruswaanzin, voor de zoveelste keer. 

Je kan het niet vaak genoeg zeggen: sommige complotwappies zijn een kwaadaardig, besmettelijk virus waaraan je echt dood kan gaan.

Het publieke debat (2) en het monster van het systeemdenken

U kent natuurlijk ook wel zo’n beetje de geschiedenis van de communicatie. Eerst waren er alleen maar kreten, van pijn, van angst, van verbazing en blijdschap. Die kreten breidden zich uit tot woorden: ‘kijk daar, dat is gevaarlijk, ga zoeken’, e.d. Uiteindelijk werd de woordenschat uitgebreid tot een complete taal. Die taal maakt overdraagbare verhalen mogelijk waarin ideeën verwerkt werden over hoe de werkelijkheid en het universum in elkaar steken (religie), hoe er het best samengeleefd kan worden (ethiek), hoe, wanneer en waar gejaagd moet worden (territoriumclaims), over moed, kracht en vruchtbaarheid (overlevingswijsheden). De verhalen werden gecondenseerd tot symbolen (b.v. de totempaal met z’n verschillende ‘verhaalgezichten’) en rituelen (b.v. offer- en vruchtbaarheidsrituelen). 

Maar, het beperkte zich nog altijd tot de verbale, face to face communicatie in kleine gemeenschappen. Totdat de letters, het schrift uitgevonden werd. Deze revolutionaire uitbreiding van het dagelijkse dorpsgesprek en de ‘local oral history’ ging het leven definitief veranderen. Alle belangrijke ideeën worden uit de hoofden losgeweekt en buiten de hoofden in steen en perkament neerlegd, eerst voor een beperkte, lezende groep weliswaar. Maar dat duurt niet lang want de boekdrukkunst maakte de ‘buitenhoofdse ideeën’ voor een breed publiek toegankelijk. En dan ging het snel: brieven, kranten, tijdschriften, maar allemaal nog op papier met een betrekkelijk langzame verspreiding. Dan volgen de electrische (telefoon/tv) en electronische revolutie (internet) waarbij niet alleen de verspreidingssnelheid van ideeën maar ook de schaal, de vorm en de patronen van communicatie alle voorgaande communicatiemiddelen definitief overtreffen. 

Het is de verdienste van de Canadeese filosoof Marshal Mc Luhan* om te laten zien dat in feite elke extensie van het menselijk lichaam te beschouwen is als technologie. De vuist wordt een knuppel wordt een hamer, etc. De nagel wordt een mes wordt een zwaard, etc. Maar ook muren, het wiel, de wegen, dijken, auto’s, microscopen, electrische apparaten, vliegtuigen, computers, het zijn allemaal extensies van onze huid, benen, ogen, oren, stem, hersenen. Al deze ‘extensie- technologie’ beinvloedt onze dagelijkse omgang met de wereld, onze ingrepen op het milieu en het klimaat. En omgekeerd: de technologie verandert ons: onze directe waarneming van de wereld, onze levensstijl en onze filosofische kijk op onszelf. Mensen maken machines en machines maken mensen. 

In de 20e eeuw explodeert de technologie exponentieel, het is niet meer bij te houden, vooral de communicatietechnologie. Wat oorspronkelijk een pratend dorp was is een chattend ‘global village’ geworden. Deze communicatietechnologie verandert ook de verhouding tussen de burger en de overheid definitief. Vandaag de dag merken we dat onmiddellijk als het misgaat. D.w.z. als de communicatietechnologie niet meer behulpzaam voor maar sturend, dominant over de burger wordt. Men kan niet meer tweezijdig communiceren met de belastingdienst (de toeslagenaffaire). De opsporingsinformatiesystemen van justitie en politie zijn lek en chaotisch, ze communiceren internationaal slecht (terroristen ontsnappen over de grenzen). Datalekken bij de GGD, UWV, Justitie, worden niet tijdig gedicht (direct privacygevaar voor de burger).

Men zou al helicopterend kunnen zeggen: overal waar (algoritmisch aangestuurde) systemen niet verzekerd zijn van een feedbackloop waarmee de kwalijke impact van het systeem gecorrigeerd kan worden, hetzij intern (door ingebouwde veiligheidsparameters), hetzij extern, (door het burgerprotest), daar falen systemen omdat het onbeïnvloedbare, gesloten systemen zijn geworden. En ja, dan wordt de burger boos (demonstraties), wantrouwend tegenover zijn bestuurders (complotdenken), of depressief platgeslagen (burnoutepidemie). Mensen maken systemen, en falende, onaanspreekbare, gesloten systemen maken mensen…. bang, boos en bedroefd. Hoe vaak hoort u het niet zeggen: ‘ik wil niet met een computer praten maar met een mens’?

De afgelopen weken werd weer eens helder hoezeer het ‘systeemdenken’ binnen de overheid(sinstanties) domineert over de menselijke maat.  De menselijke maat komt tot stand als ambtelijke systeembouwers, beheerders en uitvoerders, plus hun opdrachtgevers, de ministers en staatssecretarissen, zich realiseren dat je de menselijke maat niet in een machine kunt stoppen en een machine niet in de menselijke maat. Probeer je dat wel, dan wordt de machine in een democratie wat een knuppel is voor een totalitaire staat**.

En dan is er natuurlijk het probleem van de media, de vierde macht. Die zou op zijn best de communicatie tussen de publieke opinie en het politieke beleid moeten onderhouden. Een bufferlaag waar het ‘publieke debat’ zou moeten plaatsvinden. Maar dat doet ze niet (zie de vorige blog). De sociale media zijn inmiddels tot de belangrijkste, volstrekt gekleurde nieuws- en opiniebronbron geworden. Maar vooral verworden tot polariserings- en radicaliseringsmachines.

Al met al: de alsmaar groter wordende afstand van de burger tot de overheid wordt in belangrijke mate veroorzaakt door het systeemdenken waarop het publieke debat niet of nauwelijks greep heeft.

* ‘The Extensions of Man’ en ‘Now The Media is the Massage’; M. Mc Luhan, 1967. (De ‘a’ in massage was een typefout die hij vrolijk liet staan; het werd een cult-bestseller)

**Die stelling is een parafrasering van de vooraanstaande linkse intellectueel Noah Chomsky: ‘propaganda is voor een democratie is wat de knuppel is voor een totalitaire staat’.  Met propaganda bedoelde hij zowel de staatsberichten als de mainstream media, die hij beide fileerde in de klassieker ‘Manifacturing Consent; N.Chomsky & E. Herman, 1988. (Zie ook YouTube). Overigens moet ‘de menselijke maat’ niet verworden tot een ‘al te menselijke maat’ waarbij elke burger zich het recht aanmeet om altijd als een volstrekt uniek individu behandeld te willen worden. 

Het publieke debat (1): ventiel of pomp?

Het publieke debat, wat is dat eigenlijk? Wie praat er dan met wie? Op welke plek vindt dat debat plaats? En over welke onderwerpen moet dat debat dan wel of niet gaan? Hoe praat men in een debat, zijn daar regels voor (nodig)?

Als je iets over de geschiedenis van het publieke debat wil weten moet je bij rechtsfilosoof J.Habermas* zijn, dus dat slaan we hier maar even over. Als je een definitie van het publieke debat wil, kan je die natuurlijk op het WWW opzoeken, maar dan kom je er nog niet goed uit, want er zijn er uiteraard meerdere. Hooguit dat het om een publieke interactie tussen mensen gaat, een publieke uitwisseling van ideeën over belangrijke sociaal-maatschappelijke kwesties, en dan op een gelijkwaardige en wederkerige basis. En hooguit dat ‘het publieke debat’ niet betekent: alles tussen het Malieveld-zeepkistgeroep en een wetenschappelijk debat.

De zeepkist, dat is b.v. Willem Engel (viruswaanzin) of Michel Reijinga (Nederland in verzet), notoire narcistische/gepsychopatiseerde relschoppers die zwakbegaafde roeptoeters, voetbalhooligans, leeghoofdpubers, hitsige festivaldopies, plundertatoetjes, complotwappies, tokkieracisten en homeopatische wokies verleiden, verzamelen en ze explosief mixen met gewone boze demonstranten. En dat alles ‘om de wereld te bevrijden van het juk’. Rattenvangers van Hamelen, die i.p.v. de stad uit, de ratten de stad in laten lopen, om te gaan ‘koffiedrinken’.

Aan de andere kant staan de wetenschappers die voor 99% van de bevolking niet echt te volgen zijn, want daarvoor moet je wel heel diep in de statistiek, methodologie en relevante literatuur zitten. Je spreekt toch ook geen Swahili? En ergens daar tussenin zou dan het publieke debat moeten plaatsvinden? Maar waar dan? 

Op welke ‘publieke plek’ past een fatsoenlijk publiek debat? Sociale media vallen dan meteen al af natuurlijk, veel geschreeuw en weinig garen. De gepolitiseerde kranten worden nauwelijks gelezen en (eenmalig) ingezonden stukken zijn zeer schaars. Het lezen van een krant of kijken naar TV-discussieprogramma’s (met steeds dezelfde incrowd), dat is niet hetzelfde als deelnemen aan het publieke debat, want hier ontbreekt immers de doorlopende uitwisseling van ideeën met het brede publiek. Er is geen sprake van een doorlopende, gelijkwaardige wederkerigheid, wat een debat kenmerkt. Of winig sprake van artikelen en opiniestukken van niet bij de krant in dienst zijnde journalisten. De krant/tv filtert en voedt de lezer met zijn eigen redactioneel gekleurde content. De lezer en de kijker zijn geen deelnemers aan het publieke debat, hooguit volgers van een zeer beperkt en voorgebakken debat. 

Dan blijft er al gauw niet veel meer aan debatinteractie over dan geïnterviewd worden door Jinek, Nieuwsuur, M, Humberto, Buitenhof, WNL, e.a. Op zijn best wordt je toeschouwer van een interessant mens met een interessant betoog, dat echter al snel door tijdsdruk afgekapt moet worden en waarbij het heldhaftige behouden van de eigen positie als belangenvertegenwoordiger van de achterban eraf druipt. Op zijn slechtst is het infotainment, meestal van een hoog Marco Borsato en Rijdende Rechter gehalte. Tweede Kamer debatten kunnen nog wel eens een interessante debatstrijd opleveren, maar ze strekken vaak niet verder dan de waan van de dag. Terwijl het toch vooral over de waan van de komende generaties zou moeten gaan, over de fundamenten waarop politieke beslissingen staan. Want politiek is in de eerste plaats toegepaste ethiek. Fundamentele ethische vragen, over wat de rechtvaardiging is van ons economisch model, het behoud van de planeet, over het (on)nuttig gebruik van kennis en technologie. De plekken waar de burger nog gezamenlijk hardop denkt over deze vragen is op het terras, de leesclub, de school, de filosofische cafe’s, en bij de koffiemachine. Marginaal dus.

‘Het onderwerp van het publieke debat’ zou allereerst moeten gaan over de aller heetste maatschappelijke halszaken: het migratievraagstuk, racisme, ecologische rampen, ons economisch model, het bewaken van  democratische waarden/normen en de Big-Tech gevaren. Allemaal onderwerpen die fundamenteel en zeer complex zijn en waarover dus zeer genuanceerd gedebatteerd zou moeten worden. En daarnaast moet het gaan over de hete hangijzers die uit de halszaken direct afgeleid kunnen worden: opvang asielzoekers, ongelijke verdeling van welvaart, milieumaatregelen, diversiteit en identiteitspolitiek, opkomend rechts en links populisme, het beteugelen van desinformatie en complotonzin. 

Zijn er regels voor een ‘goed debat’? Natuurlijk zijn die er**. Simpele, zoals elkaar laten uitspreken, de verplichting een standpunt alleen met valide argumenten te verdedigen, en daarop alleen ter zake te reageren, niet op de man maar op de bal spelen, geen argumenten verzwijgen, duidelijke ondubbelzinnige taal gebruiken. En meer ingewikkelde debatregels: geen drogredeneringen gebruiken (zoals slippery slope, stroman, speculeren op medelijden en publieke sentimenten, valse analogieën gebruiken, oorzaak-gevolg omdraaien, en vele andere). Je moet er in getraind zijn om drogredenen uit een debat te willen houden. Dat is hogere schoolwerk*** dat een hoge mate van debatintegriteit eist en een attitude die niet gericht is op ‘scoren’ maar op het gezamenlijk koppig blijven zoeken naar het oplossen van een meningsverschil. Zoiets zie je zelden.

Concluderend: het publieke debat bestaat niet of nauwelijks. Noch voor de individuele burger, noch voor zijn vertegenwoordiger. De individuele burger kan alleen op de bank ‘de voors en tegens’ passief consumeren en als ie het echt zat is de straat op gaan. De vertegenwoordigers, zowel die van de ‘passief consumerende burger’ als die van de ‘actief politieke machtspartijen’, missen de debatvaardigheden en debatdiscipline waar de burger nog een voorbeeld aan zou kunnen nemen. 

Wat overblijft is een algehele publieke sfeer van oplopende vage onlust, chaos, wantrouwen in de overheid en een anti-autoritaire houding tegen alles wat en iedereen die ooit gezag had (de politiek, de wetenschap, de rechtsspraak, de media, de politie). Het publieke debat, dat een ventiel zou moeten zijn, is een pomp geworden, voor vooral militante, anti-autoritaire burgers. 

Was dat in onze democratische historie ooit anders? Jazeker. Een mooi voorbeeld daarvan is hoe burgers en bestuurders al in de vroege 14e eeuw omgingen met de bescherming van de publieke gezondheid****. Daarover een volgende keer meer.

* B.v.: ‘Argumentatie’; F.H. van Eemeren & F. Snoeck Henkermans, 2016. Een klassieker in de argumentatieleer.

** Sommige middelbare scholen bieden ‘debatvaardigheden’ aan. Op academisch niveau bestaat er een lange traditie: debattrainingen, debatclubs, retoriekcolleges, debatwedstrijden, etc. Vooral in Engeland (de oudste parlementaire democratie; 350 j.) ontwikkelde zich een bloeiende ‘parlementaire debatstijl’ die inmiddels wel aan een forse erosie onderhevig is (Orderrrr!!!). De debatverruwing in het Nederlandse parlement is ongetwijfeld een gevolg van het verloren gaan van debatscholing en de handhaving van debatregels. 

*** ‘De stromende stad. Publieke gezondheid in de middeleeuwse Lage Landen’; J. Coomans,  Madoc, Tijdschrift over de Middeleeuwen, 2018, nr 3. Fraai historisch onderzoek.

Duizenden meningen, ja, maar die mensen gaan daar niet over!

Er kunnen nog zoveel meningen in een democratie zijn, er zal een keer gehandeld moeten worden op grond van consensus of compromis. De plek waar de meeste meningen vrij vergaard kunnen worden en waar consensus en compromis de meeste onderhandelingsruimte krijgen is in de 20 sociaal-democratische rechtsstaten die de wereld kent (van de +/- 200 landen). Dat feit alleen al zou de Europeaan tevreden moeten stemmen maar nog lang niet tevreden genoeg, want het kan altijd beter. ‘Beter’ betekent in de eerste plaats beter t.o.v. wat je nu hebt, een politiek systeem dat je niet omver wil werpen of ondergraven zodat de weg naar ‘beter’ open gehouden kan worden. Tenzij je gelooft dat er een niet-democratisch politiek en rechtsfilosofisch alternatief voorhanden ligt. Iemand? Iemand die over wil gaan naar de groep van 90% landen met een andere staatsinrichting? Retorische vraag.

‘Beter’ betekent ook: meer in de richting van het democratisch ideaal waarvan elke burger weet dat het onbereikbaar is, mocht het al duidelijk zijn wat dat ideaal precies is. Er zit dus niets anders op dan het bestaande middel democratie te gebruiken om het te verbeteren, te evolueren. En niet te laten degenereren, omdat afbraak de weg naar het onbereikbare ideaal blokkeert. En ‘beter’ betekent vooral: slagvaardiger in beslissen en handelen, want we hebben niet meer veel tijd bij het voorkomen van een klimaatramp, ecologische vergiftiging, technologische (cyber) oorlogsvoering en een aanval op de democratie.   

Dit actuele probleem, hoe het met onze belaagde democratie verder moet, deed me denken aan Jürgen Habermas (1929- ), een van de meest invloedrijke nog levende rechtsfilosofen die al zijn leven lang sleutelt aan fundamentele ideeën over hoe de democratie te verbeteren is. Hij staat op de schouders van een groot aantal invloedrijke filosofen die hij briljant weet te integreren in zijn rechtsfilosofische opvattingen; voor mij een hoogst bewonderingswaardige man.

Habermas was zich al vroeg bewust van de spanning tussen het ‘systeemdenken’ en het ‘communicatief denken’. Oftewel het gevaar van te veel ‘systeemdenken’: het rationele, cognitieve, instrumentele, middel-doel denken, b.v. van een economisch systeem (vrijemarkteconomie of communisme) of een blind bureaucratisch systeem (b.v. ons belastingsysteem) of een oncontroleerbaar algoritmisch-techsysteem (b.v. Google). Dit ‘systeemdenken’ overschaduwt de alledaagse communicatie, het gesprek van mens tot mens en het publieke debat, over wat van waarde is, wat normatief is toegestaan of niet, wat (on)rechtvaardig is. Kortom, het middel-doel denken wint het te vaak van het waarde-normdenken. Dat het evenwicht tussen het economisch denken en het sociaal denken heden ten dage duidelijk verstoord is zal niemand nog ontkennen. Centen gaat maar al te vaak voor fatsoen, om het maar eens plat te zeggen.

Als Habermas het heeft over communicatie, dan bedoelt hij : 1) je moet beiden wel weten waarover je het hebt, d.w.z. je uitspraken moeten wel waar zijn, kloppen met vastgestelde feiten, 2) je moet beiden wel weten wat recht en krom is, d.w.z. wel binnen een gedeelde moraliteit van waarden/normen praten, 3) je moet beiden wel oprecht spreken, d.w.z. geen dubbele agenda hebben, niet retorisch manipuleren. Kortom, communicatie is: wat je zegt moet waar, rechtvaardig, en eerlijk gemeend zijn. 

Een democratie verbeteren betekent dan, bij ‘waar’: harder sturen op maatschappelijk relevante kennis, investeren in kennisbanken en deugdelijke wetenschap, en harder sturen op het terugdringen van gepolitiseerde desinformatie en complotonzin. 

De verbetering op ‘rechtvaardigheid’: de ongelijkheid in welvaart, welzijn en kansen harder bestrijden. Bijvoorbeeld het principe dat de verschillen in geld, gezondheid en status ook gebruikt worden ten bate van de minst bedeelden. Het principe van de ‘gerechtvaardigde ongelijkheid’*. Dat ongelijkheid op zich niet slecht is maar wel altijd politiek, economisch en filosofisch/ethisch publiekelijk gerechtvaardigd moet worden.

De verbetering op ‘eerlijk’: een zeer hoge integriteit en een wettelijke persoonlijke aansprakelijkheid eisen van bestuurders en personen op de hoogst verantwoordelijke maatschappelijke posities. 

Tenslotte, een democratie berust in hoge mate op het bereiken van consensus en compromis alvorens een bestuurlijk besluit wordt genomen. En daarin zit tevens de achilleshiel van een democratie: het bestuurlijk model. Een goed voorbeeld van die bestuurlijke zwakte toont zich in het hanteren van de Coronacrisis door virusexperts (lees de Volkskrant van 23-01-21). In hun rol van virologische deskundigen (e.a.) hebben zij niet zozeer last van wetenschappelijke meningsverschillen over de inhoud van het probleem, het virus, dat probleem zijn ze als wetenschappers wel gewend. Nee, ze hebben last van de besturing van het probleem. Oftewel de druk van politici, de media, de publieke opinie, de schaduwadviseurs (het Red Team), de lijfelijk intimiderende actiegroepen, de vergaderorde (prioriteitenagenda, leestijddruk, e.d.) die hun onafhankelijkheid en functioneren al een jaar lang bedreigt. Dat is niet een virusprobleem maar een democratisch besturingsprobleem.

Opvallend bij de gierende spanningen binnen- en tussen RIVM, OMT en kabinet is dat niemand de vraag stelt: we hebben nu een gelaagd ellendig besturingsprobleem, moeten we daar niet naar laten kijken door een bestuurs/beslisdeskundige i.p.v. zelf te doormodderen? Opvallend is dat hun klachten zelf al nauwelijks de agenda halen, maar vooral dat het besturingsmechanisme achter hun klachten, hun spanningen, hun functioneren, hun samenwerking met de aansluitende echelons niet op de agenda komt. Het gaat niet alleen om wat voor stroom problemen er in de pijplijn zit maar om de pijplijn zelf: het bestuurlijk beslismodel zelf. 

Terug naar de basisvraag: hoe verbeteren we de democratie? Begint dat niet met de vraag: wie beslist er over wat, op welke plek, wanneer, hoe vaak en hoe lang om tot consensus of compromis te komen? Dat klinkt abstract en vaag maar dat is het niet, zodra een democratisch bestuurd orgaan die vraag gaat invullen. Het betekent ook dat veel burgers moeten worden buitengesloten om bij zwaarwegende maatschappelijke kwesties slagvaardig en ingrijpend te kunnen handelen. Bij 1000 meningen moet er ook gezegd kunnen worden: prima, maar daar gaat u niet over. Dat is ook democratie.

* O.a. een idee van John Rawls, over de verdeling van macht, geld en kennis , in ‘Theory of Justice’ (1971), ‘Political Liberalism’ (1993) en ‘Justice as Fairness’ (2001). Rawls is wellicht de meest invloedrijke politiek normatieve filosoof van de 20e eeuw.

De wereld sleept zich voort met algoritmen

De wereld sleept zich voort. Corona, Trump en de val van het kabinet staan in de top 3 van de gespreksonderwerpen. Verkoopt goed bij de berichtgevers. Niet die kleine maar hoogst alarmerende klimaatberichtjes*, want dat verkoopt niet goed, want ‘dat weten we nou wel’. Er is geen filosoof of wetenschapper te vinden die het klimaatprobleem niet op nr.1 van urgente wereldproblemen zet. Niet de urgentie van de alledaagse mens, maar van de mensheid. En ze hebben plausibele verklaringen waarom dat wegkijken aan de orde van de dag is. Eigenlijk is dat blinde wegkijken nr.1 zou je kunnen zeggen.

Een van de meest aantrekkelijke verklaringen is dat ons paleolithische brein allang niet meer spoort met het leven in een moderne democratie, met de allesdoordringende technologie in het dagelijks leven. En zeker niet met een dijkdoorbraak aan informatie waarop de meeste breinen niet veel anders reageren dan met emotie, intuïtie of wegkijken.

Dat paleolithische brein bestaat al een miljoen jaar. Het stamt uit de tijd dat we nog jagers/verzamelaars waren. Het is afgestemd op een kleine groep, niet groter dan ten hoogste 150 mensen (het zgn. Dunbar-getal) die elkaar kenden en die daardoor op grond van wederzijds vertrouwen zich konden organiseren, wat geen enkel ander zoogdier op die schaal kan. Daar lag onze grote overlevingskracht: samenwerking vormde de basis voor het doorslaande succes van onze soort. Die samenwerking had noodzakelijkerwijs een democratische vorm, niks geen filosofisch ideaal. Te grote individuele eigenbelangen nastreven (het meeste voedsel, gezondste vrouwen, beste wapens opeisen) vormde een onmiddellijk overlevingsgevaar voor de groep. Je kon nog zo intelligent, competent of fysiek sterk zijn, zodra je het zou uitbuiten veroorzaak je jaloezie, wantrouwen en een weerzin tegen samenwerking. Kortom een scheuring in het sociale weefsel, dat honger, burgeroorlog, dus je eigen ondergang veroorzaakt. 

Totalitaire leiders en totalitaire bestuurssystemen konden domweg niet bestaan. Een dergelijke oer-democratie heeft ook sinds wij landbouwers zijn geworden (20.000 jaar geleden) tot voor kort (250 jaar) nooit meer bestaan, behalve een slap aftreksel ervan in kleine stadsstaatjes (zelfs het stadstaatje Athene had geen democratisch rechtssysteem). Omgekeerd, de grote totalitaire konink- en keizerrijken hebben ook niet echt bestaan, want hun macht reikte nooit verder dan hun legers en belastingophalers konden lopen. Daarbuiten waren het de stammen en kleine heersers die de dienst uitmaakten en onderling permanent oorlog voerden om jacht/voedselgebieden, soms in samenwerking tegen de grote koning/keizergod als die het te bont maakte. Enfin, ik vertel u waarschijnlijk niets nieuws, dit zijn de inzichten van historici, antropologen, archeologen, e.a. Mooi samengevat in het werk van de briljante historicus Y.N. Harari. U weet wel: Sapiens, Homo Deus, Twenty lessons for the 20th century.

Je zit er waarschijnlijk niet ver naast als je zou zeggen dat zowel de moderne parlementaire democratieën (het zijn er feite maar 15, de rest is feitelijk een schijnvertoning) als de totalitaire staten de laatste vijftig jaar niet meer opgewassen zijn tegen de snelle veranderingen van hun habitat. Beide bestuursvormen vechten tegen hun nationale verdeeldheid over issues als klasse, welvaartsverdeling, ras en gender, precies die zaken waar de jager/verzamelaar weinig last van had. 

Waar de jager/verzamelaar ook weinig last van had was de snelle invloed van technologie op zijn samenleving. Niet alleen in praktische, dagelijkse zin maar vooral in filosofische zin. Onze moderne technologie tast vrijwel alle westerse waarden/normen aan. Vrijheid van meningsuiting, gelijkheid voor de wet, bescherming van het individu, splitsing van de drie oorspronkelijke machten, onafhankelijkheid van media, ze bezwijken bijna onder de druk van de vierde macht en vijfde macht: de mainstream- en social-media en de big-tech informatiebeheerders en techniekontwikkelaars. 

De totalitaire staten (China, N-Korea, Rusland, Saoedi-Arabië, Turkije, etc.) gebruiken cybertechnologie om de individuele burger op te sporen en te disciplineren, tegelijk met het onderdrukken van de reguliere en de social-media. De democratieën vechten omgekeerd, tegen het misbruik van cybertechnologie die hun bestaan ondermijnen. De gespannen verhouding tussen democratische en totalitaire staten hoeft niet meer beslecht te worden met conventionele oorlogen, want de cyberoorlog is een goedkoop middel om invloed uit te oefenen op het stemgedrag, de staatsinstituten, de energievoorzieningen, de industrie, e.d. van ‘de vijand’. Harari wijst erop dat b.v. veiligheidsdiensten aan beide zijden meer baat hebben bij geavanceerde AI met specifieke algoritmes dan bij een omvangrijk netwerk van gewone ‘straatspionnen’ die achter de deur van een burger kijken. 

Algoritmes worden langzaam aan de baas, ze vormen het hoogste gezag waarop politici en autocraten gaan vertrouwen en sturen (is de hele toeslagenaffaire, het opsporen van fraudeurs d.m.v. algoritmische belastingdienstprogramma’s, niet een microvoorbeeld?). Eigenlijk is het nog erger, machthebbers kunnen zelfs hun eigen veiligheidsdiensten privé laten hacken om erachter te komen of hun positie niet door binnenlandse vertrouwelingen ondermijnd wordt. Oftewel: de hacker van hackers heeft het hoogste gezag en de meeste invloed op de machtshebber(s)! Historisch gezien: niet de Almachtige God, de Verlichte Mens, het AI-algoritme maar de ‘metahacker’ heeft het meeste gezag.

Terug naar ons paleolithische brein. Dat brein kan deze ontwikkelingen helemaal niet aan. Het is niet gebouwd om deze informatie-overkill aan complexe werkelijkheid en deze hypercomplexe cybertechnologie te begrijpen. Dat brein heeft nog steeds hele ‘simpele genetische en culturele algoritmen’ ingebouwd die allereerst afgestemd zijn op het ‘snelle, intuïtieve, reflexmatige denken’ (Kahneman**) dat nodig is om overkill, innerlijke chaos, oftewel overlevingsgevaar af te wenden. Ook het ‘trage, reflexief, berekenende denken’ heeft niet om de capaciteit de complexiteit van de ontstane werkelijkheid van deze tijd te omvatten. 

Harari’s idee, en met hem dat van vele andere wetenschappers, is dat zowel democratische en totalitaire staten gaan vastlopen op deze ontwikkelde (en van elkaar gestolen) technologie die nog maar in de kinderschoenen staat. Het voordeel van democratieën is dat zij een veel groter aanpassingsvermogen hebben om complexe problemen op te lossen dan de starre autocratieën. Democratieën kunnen zichzelf heruitvinden, herdefiniëren, op een andere filosofische leest schoeien. Totalitaire staten missen die flexibiliteit omdat bij hen de dynamiek van het vrije denken ontbreekt.

Ondertussen blijft het oppassen voor complotwappies en populisten en hun narcistisch/gepsychopatiseerde leiders, waar ook ter wereld, die het ook allemaal niet begrijpen en dus met simplistische verklaringen en simplistische oplossingen komen (en het Museumplein opgaan***). En thuis zitten wegkijken naar Netflix zou al helemaal rampzalig zijn. 

 * B.v. zeer alarmerende klimaatberichten van het Internationaal Klimaatpanel (IPPC), dat rapporteert aan de VN, en daartoe 6000 recente onderzoeken heeft samengevat (2020).

** ‘Ons feilbare denken, (Thinking, fast and slow)’, Daniel Kahneman (2011). Houder van de Nobelprijs voor Economie 2002. Wellicht de belangrijkste psycholoog ter wereld.

*** Zie het 90 min. durende YouTubeverslag van NH-Nieuws op het Museumplein (‘ik ben verdomme arts….ze zijn hier in dit land bezig mensen te vermoorden met vaccins….tweede wereldoorlog….er ligt niemand op de IC’s….de artsen faken alles, die krijgen voor iedere patiënt 20.000 euro’).