We geloven vaak zelfs niet meer in wetenschap of wetenschappers (wat we geloven 2)

De rationale visie van de Verlichting bracht ons wetenschappelijke kennis van de materiele werkelijkheid en praktische technologische knowhow. Maar de rede kon weinig met de andere twee werkelijkheden, waarmee wij als mensen altijd  te maken hebben: die van de onderlinge menselijke relaties en daar direct mee samenhangend: de wereld van de menselijke ideeën over die drie werkelijkheden. Maar de wetenschapsbeoefening zelf werd wel door de ideeën over de werkelijkheid beïnvloed welke een grote invloed hadden op de mensen die wetenschap beoefenden.

De massale toestroom van studenten naar de universiteiten veroorzaakte een ongekende schaalvergroting van de universiteiten. Het bedrijfsmatige model dat economen toen ook voor de universiteiten zelf begonnen te propageren, betekende dat de managers/technocraten de besturing van het wetenschapswerk overnamen. Tegenwoordig is het grootste deel van de wetenschapsbeoefening gericht op winstgevende toepasbaarheid – op mogelijk profijt. Veruit de meeste wetenschappers hebben geen vaste sinecure meer van waaruit ze vrijelijk kunnen bepalen wat ze willen onderzoeken. Onderzoek moet betaald worden en wie betaalt bepaald.

Daardoor is wetenschappelijk onderzoek slechts een middel geworden om nuttige profitabele produkten te ontwikkelen, welke in de vrije markt geëxploiteerd kunnen worden. Vooral de natuurwetenschappen zijn inmiddels diepgaand gecorrumpeerd door de grote bedrijven, niet in de laatste plaats door wetenschappers die zich hier uiterst profitabel voor laten lenen. Het leidde ook tot de huidige enorme productiviteitsdruk op-  en de publicatie- en profileringsdrang van wetenschappers. Wetenschap is dus bepaald niet meer waardenvrij noch is enigerlei integriteit (behalve op papier) gewaarborgd. 

Het is in deze ambiance dat wetenschappers en persbureaus van universiteiten voor het grote publiek hun gezag verloren, ‘geholpen’ door de massamedia. Nog altijd verkondigen wetenschappers dat niet wetenschappelijk bewezen uitspraken subjectief zijn. Dat waarheden die niet betrekking hebben op de materiele wereld relatief zijn en cultureel bepaald. Dat dat soort waarheden vooral ’talig’ is, en feitelijk betekenisloos. Geen wonder dat een groot deel van de burgers er inmiddels van overtuigd is dat alle waarheidsclaims subjectief en relatief zijn, ook wetenschappelijke. Behalve natuurlijk hun eigen overtuigingen.

Metafysica en Ethiek als onderdeel van de Filosofie verdwenen na de Tweede Wereldoorlog van de universiteiten. Immers er waren in de visie van de ‘harde wetenschap’  geen  algemene uitspraken mogelijk over het doel van de kosmos, over moraal en onderliggende ethiek: over hoe een mens moet leven of hoe mensen moeten samenleven. Filosofie en ethisch-morele oordelen werden onderdeel van gespecialiseerde deskundigen, die dan wel geen ware uitspraken konden doen, maar slechts de weegschaal konden optuigen voor ‘maatschappelijke discussie’. Statistisch onderzoek werd het middel om overtuigingen van burgers te inventariseren, ‘nudging’ via publiciteitscampagnes (Sire etc.) om burgers een beetje naar maatschappelijk aanvaardbaarder overtuigingen te duwen. 

Wat helemaal niet meer past in het harde productieve plaatje van de wetenschap zijn de ervaringen van 130 generaties Europeanen sedert de oude Grieken, van 2500 jaar Europese beschaving. Wetenschap en kennisverwerving richt zich in de eerste plaats nog op de toekomst.

Vergeten zijn de kern overtuigingen uit het Griekse, Romeinse en Christelijke denken van al die eeuwen:

  • dat we transcendente wezens zijn die zich altijd zullen afvragen ´waartoe wij op aarde zijn´, waarom er ‘iets’ is in plaats van ‘niets’, wat onze betekenis is in de kille kosmos. Dat we elkaar daar altijd verhalen over zullen blijven vertellen ook al beschouwen wetenschappers dat als een weinig volwassen behoefte.
  • dat de mens gemakkelijk geneigd is tot kwalijk gedrag jegens anderen, als hij zich slechts laat leiden door zijn de menselijke begeerten, waaronder vooral ook de hang naar status (en roem). We willen wel gelijk zijn, maar vooral ook beter dan de ander. Een hogere positie op de apenrots.

In de pre-industriële Europese cultuur hielden filosofen zich eindeloos met dit soort vragen bezig. Niet alleen met God, maar vooral ook met de mens. Meer dan 50 gevoelens/emoties werden onderscheiden welke optreden als motief en gevolg van handelingen van – en tussen mensen. De meeste van die beschrijvingen staan tegenwoordig alleen nog in woordhoekjes van kranten. De jongere generaties zijn er niet meer mee bekend. Maar zij zouden die beschrijvingen van gedrag en emoties nog altijd prima herkennen als wat specifiekere en diepgaandere invulling van ‘leuk’ of ‘niet leuk’. 

We geloven niet in het kille wereldbeeld van de wetenschap (wat we geloven 1)

De ontwikkeling van de empirische wetenschap en de daaruit voortvloeiende kennis en technologie heeft het wereldbeeld van de Europese mens fundamenteel gewijzigd. De wetenschap heeft de kosmos, de wereld en de mens zelf tot materie verklaard. Ook de mens bestaat slechts uit chemische stoffen waarin leven is ontstaan.

De kosmos is het resultaat van een oerknal, het leven op aarde een gevolg van natuurlijke evolutionaire ontwikkeling, de mens een ge-evolueerde hominidae (mensaap). Ons bewustzijn vormt slechts een immanent natuurkundig verschijnsel voortkomend uit ons brein.

De kosmische ontwikkeling heeft geen doel, materie is altijd onderhevig aan entropie (verval), iedere vorm van leven wordt slechts voortgedreven door de inherent aan leven energetische kracht van de voortplanting.

Alleen op rigide wetenschappelijke wijze verworven kennis kan als waarheid worden aangenomen. Vragen die niet op wetenschappelijke wijze onderzocht kunnen worden, betitelt de wetenschap als betekenisloos.

Over de mens en de menselijke samenleving kan op grond van biologie (o.a. genetisch), gedragskundig, sociologisch en psychologisch feitelijke kennis worden verworven, vooral op grond van natuurkundig, biologisch- en statistisch onderzoek. De menselijke wereld van de ideeën (religie, filosofie, ethiek en moraal, normen en waarden etc.) worden als subjectief bestempeld: daar kan de wetenschap geen uitspraken over doen.

Kortom de mens is wetenschappelijk gezien een doelloos uit sterrenstof voortgekomen mensaap, die zichzelf op grond van zijn bewustzijn en zijn onontkoombare dood zichzelf – al voortplantend –  reeds tientallen eeuwen betekenisloze vragen stelt en al dan niet met anderen gedeelde subjectieve ideeën en opvattingen heeft over de wereld waarin hij of zij leeft. Immers van die ideeën kan de waarheid wetenschappelijk niet worden vastgesteld. De wetenschappelijke opvatting van de wereld is nihilistisch, waarden-loos.  

Geen mens kan met dit kille betekenisloze mechanistische wereldbeeld zijn leven vormgeven. Dus gebruikt de mens zijn enorme menselijke verbeeldingskracht om een eigen wereldbeeld te scheppen. We geloven simpelweg iets anders, dan de wetenschap ons voorhoudt. We creëren onze eigen waarheid op grond van onze eigen ideeën op basis waarvan we ons leven wel betekenis kunnen geven. Want dat is inmiddels wel een wetenschappelijke en filosofische waarheid die diep in het bewustzijn van de moderne Europese mens is doorgedrongen: ons leven heeft slechts de betekenis die we er zelf aan geven.

De filosofische kritiek op dit kille wereldbeeld kwam al vroeg in de 19e eeuw tot stand, in eerste instantie in Duitsland: de Romantische beweging. Een citaat uit Wikipedia: ‘Tegenover het rationalisme van de Verlichting stelden de vroege romantici, zoals Friedrich Schiller en daaraan voorafgaand Johann Gottfried Herder, dat het kennen van de mens dieper reikte dan wat de zintuiglijke waarneming gewaar kon worden. De werkelijkheid achter de materiële verschijningsvormen was een geestelijke dimensie waaruit zij was voortgevloeid’.

De sterk aan menselijke verbeelding en -gevoelens gerelateerde filosofie van de Romantiek als antithese van de over-rationele Verlichting, vormde de basis voor allerlei bewegingen en filosofische stromingen sedertdien, waaronder de cultuurrebellie in de jaren zestig en de New Age achtige stromingen vanaf dien tot op heden, waaronder de visie op de unieke authenticiteit van het individu. Een idee waar we in latere artikelen nog verder op terug zullen komen.

Wat geloven we tegenwoordig (wel of niet)?

De moderne Europese mens is niet christelijk religieus meer. Die gelooft misschien wel in een kosmisch iets, maar niet meer in de God van de bijbel. Het zondagse bezoek van een kerk lijkt, ook in andere Europese landen, vooral een sociaal gemeenschappelijk gebeuren te zijn geworden.

We zijn de afgelopen honderd jaar langzamerhand een andere religie gaan aanhangen, een geloof waarbij de mens zelf centraal staat, rond de begrippen: vrijheid, individu, gelijkheid, democratie, vrije markt en werk, waarbij als doel van het leven het streven naar een individueel gelukkig leven centraal staat (1). Voor die religie is geen consistent verhaal beschikbaar of een heilig boek. Een ieder moet dat verhaal op eigen wijze invullen. De vraag is dan natuurlijk wel wat we dan geloven rond die begrippen en wat we als een gelukkig leven beschouwen.

De filosoof Isaiah Berlin definieerde het begrip vrijheid enerzijds in traditioneel negatieve zin: vrij zijn van …. Niet gehinderd worden door machten of krachten buiten jezelf om je eigen leven vorm te geven. Eenvoudigweg: niet beperkt worden door anderen in de samenleving. Maar wel onder de voorwaarde dat je de ander niet in zijn vrijheid beperkt of schaadt. Het traditionele liberale vrijheidsbegrip.

Maar Berlin formuleerde anderzijds het begrip vrijheid in positieve zin: vrijheid waartoe? Wat willen we als mens doen met die vrijheid? Op dit punt lopen de geloofsrichtingen tussen moderne mensen als een waaier uiteen. Want het vorm geven van een vrij leven is gebaseerd op datgene wat we als mens van essentiële waarde achten om een gelukkig leven te kunnen leiden. Maar tussen mensen bestaat een groot verschil in de waarden die ze als waardevol ervaren.

Een tweede pijler in het nieuwe moderne geloof is dat ieder mens een uniek individu is die zijn leven in vrijheid op basis van die volstrekt eigen authenticiteit vorm moet geven. Dat betekent wel dat we die authenticiteit, dat unieke zelf, in onszelf eerst moeten leren ontdekken en daarna een vorm van gelukkig leven moeten leren ontwikkelen die bij die authenticiteit past.

De derde pijler betreft de volstrekte gelijkheid tussen mensen. Op dit punt bestaan aanzienlijke geloofsverschillen. Want wat betekent gelijkheid? Gelijkheid voor de wetten van de gemeenschap, gelijkheid van kansen, gelijkheid bij behandeling door derden of bijvoorbeeld gelijkheid in maatschappelijke positie en inkomen? Het probleem daarbij is dat, als tussen mensen sprake is van verschillen in bezit en macht, er automatisch sprake is van ongelijkheid.

Het vrije, aan anderen gelijke unieke individu kan alleen maar zijn leven vorm geven in een samenleving die de grondrechten van haar burgers garandeert, en dus rechtsbescherming en veiligheid biedt. Dat is alleen mogelijk in een democratie, waarin de burgers hun eigen bestuurders kiezen. Maar al is dat het geval: ook democratieën functioneren feitelijk op heel verschillende wijzen waarbij meerderheden minderheden kunnen benadelen en minderheden zelfs toch hun keuzen kunnen opleggen aan meerderheden. Kortom: er bestaan grote verschillen in opvatting van wat een democratie eigenlijk behelst.

Op deze vier pijlers van het moderne geloof rust de wereld van ons dagelijks leven waarin werk centraal staat, niet alleen om je brood te verdienen maar ook om je plek in de wereld te markeren. Wat voor werk we doen is onze belangrijkste identiteit (wat doe je?..). Dat werk wordt uitgeoefend binnen een inmiddels wereldwijd economisch organisatiesysteem van vrije markten en particuliere ondernemingen. De vrije private markt als enige juiste economische organisatievorm is inmiddels wereldwijd een orthodox absoluut geloofsartikel geworden, ook al vertoont het al enige tijd forse scheuren.    

Tot slot is er de ondergrond voor de geloofspijlers en ons dagelijks werkende leven. Dat is de visie op de kosmische werkelijkheid van wetenschap en technologie, voortgekomen uit de Europese filosofische ideeën van de Verlichting sedert het midden van de 18e eeuw.

Op alle bovengenoemde onderdelen van de nieuwe religie van de moderne Europese mens wil ik in komende artikelen ingaan.

(1). Deze indeling is in belangrijke mate gebaseerd op het nieuwe boek van Andreas Kinnegin: De onzichtbare maat – archeologie van goed en kwaad (2020).

Als de Rente stijgt….?

De rente in de Eurolanden is al vele jaren zeer laag. Dat is een gevolg van bewust beleid van de Centrale Bank in Frankfurt. Altijd wordt vanuit Frankfurt gesteld: zolang de inflatie in de Eurozone gemiddeld niet boven de twee procent komt, is er geen aanleiding de rente te verhogen. Maar feitelijk voeren de bestuurders van dé bank deze politiek om een hele andere reden

Er is al jaren weinig aanleiding voor inflatie als het gaat over de wereldwijde vraag naar dagelijkse goederen. Let wel: vraag, niet behoefte. Immers de vraag wordt bepaald door het besteedbaar inkomen van mensen, niet door wat ze nodig hebben. Met een overvloed aan goedkope arbeidskrachten wereldwijd en voortdurend productievere technologie is er ruim voldoende aanbod van door consumenten gevraagde goederen. Alleen als de vraag hoog is en het aanbod laag stijgen de prijzen. Zoals nu in het geval is bij de produktie van computerchips. In Europa worden prijsstijgingen van dagelijkse goederen echter eerder veroorzaakt door de overheden (bijv. btw verhoging) dan door de markt.

Bij het huidige inflatieniveau van 1-2% zou de rente standaard ongeveer 3-4% moeten bedragen. Maar de feitelijke rente in de verschillende financiële markten is bijna nul of zelfs negatief. Dat is het gevolg van een enorme overvloed aan geld/kapitaal in de wereld. Dat heeft drie oorzaken:

Ten eerste. De financiële crisis van 2008 (als gevolg van wereldwijde commerciële financiële speculatie) is overal ter wereld opgevangen door de overheden via zware overheidsbezuinigingen en verhoging van overheidsschulden. Die schulden zijn door de Corona crisis nog eens fors extra gestegen.

De Centrale banken in de economisch hoogontwikkelde landen financieren die overheidsschulden door enerzijds de rente zeer laag te houden en anderzijds dagelijks veel nieuw geld in hun economieën te pompen. De Zuid- en Oost Europese landen, maar ook bijvoorbeeld Engeland, zouden zwaar in de problemen komen als ze op de enorme staatsschulden een hogere rente zouden moeten betalen. Daarom houdt de Europese Centrale Bank de rente laag in plaats van op 2-3% en pompt de bank daarnaast veel geld in de Europese economie.

Maar tegelijkertijd is wereldwijd een enorme overvloed aan spaargelden beschikbaar van een verouderende wereldbevolking. Er is dus geld in overvloed beschikbaar tegen een uiterst lage rente. Echter: er is relatief weinig vraag naar al dat beschikbare kapitaal voor investeringen ten behoeve van de produktie van nieuwe goederen en diensten. Het internationale bedrijfsleven gebruikt dat goedkope kapitaal in plaats daarvan om:

  • de bereikte marktposities verder te monopoliseren door het tegen enorme bedragen overnemen van concurrenten of potentiele toekomstige concurrenten (start-ups).
  • hun schuldpositie goedkoop te verhogen en met dat geld hoge dividenden aan aandeelhouders uit te keren of eigen aandelen tegen hoge prijzen in te kopen om hun aandelenprijs hoog te houden.

In de huidige tijd investeren grote bedrijven, ondanks alle grootspraak, relatief weinig nieuw kapitaal in het risico van het ontwikkelen en produceren van nieuwe goederen en diensten. Het is qua winst interessanter om bestaande goederen en diensten met hogere prijzen uit te melken (farmaceutische industrie) of door verlaging van de kostprijs de winst te verhogen (technologie, flexibele arbeidskrachten etc.).

Zelfs ten behoeve van de gigantische wereldwijde vraag naar vaccins tegen Covid, investeerden bedrijven alleen indien ze daarvoor voldoende overheidsgaranties verkregen. In die zin is er bij grote internationale bedrijven nauwelijks sprake meer van risicovol ondernemen. De overmatig betaalde directies kiezen voor de veiligheid van het uiterst winstgevend exploiteren van marktmacht en houden op die wijze de aandeelhouders tevreden.  

De enorme bedragen beschikbaar in de kapitaalmarkten tegen lage rente worden echter wel gebruikt door particulieren, vooral om woningen in stedelijke gebieden te kopen. Dat heeft in alle Westerse landen door schaarste een sterk prijsopdrijvend effect gehad.

Als de rente zou stijgen komen nu 5 partijen fundamenteel in de problemen:

  1. Overheden met veel te hoge overheidsschulden die als gevolg van de stijgende rente moeten bezuinigen;
  2. Bedrijven met veel te hoge bedrijfsleningen in verhouding tot het eigen vermogen die als gevolg van de stijgende rente hun winsten zien dalen en dus  hun aandelenkoersen;
  3. Particulieren met veel te hoge woningschulden bij dalende woningprijzen als gevolg van die hogere rente;
  4. Banken die wel meer winst kunnen maken door een hogere rente, maar veel van die te hoge leningen aan bedrijven en particulieren niet terug betaald krijgen.
  5. Beleggers die hun winsten van de afgelopen jaren zien verdampen in dalende aandelen- en obligatiebeurzen.

Een recept dus voor economische neergang. Het is derhalve logisch dat de Centrale Banken in de hoog ontwikkelde economieën zo lang mogelijk krampachtig vasthouden aan een lage rente en het scheppen van nieuw geld. Ze hebben geen alternatief meer.

De overgewaardeerde aandelenbeurzen en de enorme schuldposities van overheden, bedrijven en particulieren vormen een uiterst instabiele ondergrond voor de toekomstige economie. Een economische vulkaanuitbarsting net als in 2008 is inmiddels niet langer uit te sluiten, net als een volgende nieuwe virusepidemie.

De logica van de negatieve rente

Als je geld uitleent heb je het zelf niet meer ter beschikking. En je loopt het risico je geld niet meer terug te krijgen. Dus vraag je rente. Als je veel geld hebt, kunt je geld uitlenen als handel beschouwen, maar dan moet je wel de risico’s van je klanten goed onder de loep nemen en de rente die je vraagt op dat risico afstemmen. Het is een praktijk die al sedert de Oudheid bestaat. Voor de grote monotheïstische religies was het vragen van rente een zonde, woeker heette die praktijk, want de rentes waren torenhoog. Daarom joeg Jezus de geldwisselaars uit de tempel. Gelovige moslims nemen nog altijd het woord rente niet in de mond, maar hebben het over administratieve kosten.

Door de eeuwen heen is het risicovrije interestpercentage na aftrek van inflatie circa 2% (*) Dat wil zeggen: als een verstrekker van leningen geen risico van niet terugbetaling loopt, anders komen er een paar (of zelfs heel veel) procenten bij (**). Sedert de financiële crisis van 2008 hebben de wereldwijde onderling verbonden financiële markten echter een andere logica ontwikkeld.

De neoliberale ideologie stelt dat overheden voor het uitoefenen van hun taken zo weinig mogelijk belasting moeten heffen en bij tekorten maar moeten bezuinigen of geld in de financiële markten moeten lenen. Tegelijkertijd moeten de Centrale Banken de rente zo laag mogelijk houden om winstgevende investeringen van bedrijven te faciliteren. Deze beide uitgangpunten van het neoliberale economische geloof dwingen de Centrale Banken al sedert de financiële crisis van 2008 om zoveel geld in omloop te brengen en bij gebrek aan inflatie de rente bijna op nul te houden.

Maar die logica noodzaakt de Centrale Banken ook om commerciële banken te dwingen hun beschikbare spaargelden in de wereldwijde markten uit te lenen en niet werkloos te laten. Werkloos geld wordt namelijk door de commerciële banken bij de Centrale Banken gestald. Tegenwoordig moeten de commerciële banken daarom hiervoor een werkloos-geld premie voor betalen: negatieve rente. En de kapitalistische logica veronderstelt dat je deze kosten aan je klanten doorberekent. Dus ook burgers moeten maar negatieve rente betalen om geld bij hun bank te stallen. Alleen hebben die particuliere spaarders maar twee alternatieven. Of hun spaargeld thuis in een of andere kluis bewaren, of er iets mee kopen dat in de toekomst in ieder geval niet minder waard wordt. Vandaar de run op mogelijke beleggingen waarin je met je spaargeld nog wel wat kunt verdienen: aandelen, bitcoins, huizen, schilderijen e.d.

Vooral oudere spaarders staan onder grote druk van die logica. Immers sedert 2010 zijn hun (verwachte) pensioenen als gevolg van de nul-rente niet meer gestegen. En hun spaargeld levert ook niets op (maar wordt in Nederland wel fiscaal belast omdat de overheid fantasierijk veronderstelt dat spaargeld wel rendement oplevert).

Het is deze logica die al 3-4 jaar de prijzen van schaarse goederen, zoals huizen, opjaagt. De prijzen van dagelijkse goederen mogen dan wel niet stijgen, heel wat andere zaken maken inmiddels enorme prijsstijgingen door, als gevolg van de neoliberale ideologie. De burgers die daarvan meeprofiteren (vooral huizenbezitters) zijn daar maar al te blij mee en steunen die ideologie van harte.

Het fundamentele – en uiterst risicovolle – probleem van deze situatie is: wat gebeurt er economisch als de rente sterk gaat stijgen? En dat kan zomaar! Zie daarvoor ook het artikel van Schmelzing.

In het volgende artikel zullen we daar nader op ingaan.  

(*) Zie publicatie Paul Schmelzing van de Centrale Bank Engeland. Link.

(**) De enigen die tegenwoordig nog enorme ‘rentes’ betalen voor ‘leningen’ zijn de minst gefortuneerden. Rentes van kredieten voor consumenten uit de laagste inkomensgroepen belopen tussen de 8 en 18%. Niet tijdig terug betalen levert administratieve boetes (met de overheid als koploper) en commerciële draconische incassokosten op. Deze burgers betalen op deze manier nog de woekerrentes van de Middeleeuwen: vaak wel 10% per maand.

Informatie privacy (Slot): stop de stalkers

Hoezeer we ook hechten aan onze informatie privacy, handel in – en diefstal van onze persoonlijke informatie is wereldwijd inmiddels een miljarden business, voor de reclamesector, voor fraudebendes en voor spionage door Amerika en door autoritaire staten. Op dit moment is het Internet hét middel geworden om wereldwijd grootschalig de informatie privacy, grondrechten van burgers, te schenden.

De grootste wereldwijde kolonisatoren van de Datawereld – degenen die  met deze ontwikkeling zijn begonnen – vormen de Amerikaanse Tech-bedrijven Google, Facebook en Amazon. Dat dit de afgelopen 10 jaar zo uit de hand heeft kunnen lopen heeft een aantal oorzaken:

  • Zoals altijd met nieuwe technologie: wat je er potentieel mee kunt doen, dat gebeurt gewoon. Het ideaal van een vrij Internet is allang overwoekerd door de commercie en politieke machtsuitoefening.
  • De consumenten hebben begerig al hun gegevens het internet opgestuurd om maar in de belangstelling van anderen te kunnen staan en goedkoop spullen te kopen.
  • Zoals altijd liepen de democratische overheden achter de feiten aan. Nu zijn de belangen inmiddels te groot om politieke partijen nog tot fundamentele actie te bewegen. Ook de nieuwe Europese regels vormen maar een slap aftreksel van wat nodig is. 

We hebben veel structurelere en fundamentelere wetgeving nodig over eigendom en gebruik van data. De huidige toestemmingscookies (wie leest 70 pagina’s juridische tekst voordat hij op accepteren cookies klikt?) zijn ronduit ridicuul. Hoezo toestemming, chantage zul je bedoelen!

Allereerst dient geregeld te worden dat het bedrijven verboden is data van burgers op te slaan, tenzij de bedrijven een certificaat van afdoende databeveiliging kunnen overleggen. Bovendien moet bedrijven verboden worden deze data met derden te delen of te verkopen.

Iedere website die cookies op je persoonlijke apparatuur wil plaatsen, moet mijns inziens in ieder geval de volgende half schermvullende mededelingen op het scherm zetten met de voorwaarden die van toepassing zijn voor gebruik, dus:

Om deze app of website te gebruiken, of aankopen te doen, dient u een account aan te maken met uw persoonlijke gegevens.

Deze app of website gebruikt cookies om:

  • Uw persoonlijke gegevens op te slaan;
  • Uw internetgedrag te volgen, waaronder uw locatie;
  • Uw persoonlijke gegevens en internetgedrag, waaronder uw locatie, aan derden te verkopen.

Indien u niet akkoord gaat met deze voorwaarden, kunt u deze app of website niet gebruiken.

Deze vorm van transparantie zal bij de commerciële sites al snel tot veranderingen leiden, want alleen degenen, die helemaal niet om informatie privacy geven, zullen dan nog rustig op akkoord klikken.

Maar zo’n maatregel zal nog wel jaren duren, dus in de tussentijd moeten we zelf onze maatregelen nemen op onze apparatuur, onder andere door dagelijks alle rotzooi van die spionnen er af te vegen. En uiterst selectief te zijn aan wie we onze data, vooral ons telefoonnummer verstrekken.

Informatie privacy (3): de overheid moet geen data- sleepnetten gebruiken

Terrorismebestrijding is wereldwijd al tientallen jaren een toverwoord voor overheden om ongestraft grootschalig de informatie privacy van burgers in het geheim te schenden. Tegenwoordig doen overheden dat door computeralgoritme gedreven ‘sleepnetten’ eindeloos door internetbestanden van derden (inclusief gezichtsfoto’s) te trawlen, soms met dramatisch onterechte gevolgen voor onschuldige burgers. De verhoudingen tussen gebruikte middelen en het doel zijn in deze al jaren zoek.

Wat al die autoritair bestuurde landen ook doen, je moet als democratische samenleving niet willen dat je overheid ongericht computergestuurde onderzoek in databestanden gaat doen om mogelijk iets verdachts te vinden in gegevens van burgers. We kunnen gericht en noodzakelijk opsporingswerk van Justitie en Politie prima ondersteunen door een aantal ‘onschuldige’ data van burgers beschikbaar te maken, zonder de informatie privacy als grondrecht feitelijk aan te tasten.  

Er zijn maar een aantal wettelijke middelen vereist om het werk van degenen, die terrorisme, cyberspionage, cybercrime en andere misdaad bestrijden, aanzienlijk te vereenvoudigen en om veel doelgerichter in de elektronische wereld justitieel onderzoek te kunnen doen:

  1. Het mobiele telefoonnummer en het e-mailadres fungeren nu al als surrogaat voor het Burgerservicenummer bij inlog beveiliging (bijv. Digid). Vroeger waren er gewoon telefoonboeken met NAW gegevens. Waarom zou de overheid niet over het mobiele telefoonnummer en e-mail adressen van burgers mogen beschikken en Google en Facebook wel?
  2. Geen anonieme prepaid telefoons meer toestaan. Ook prepaid telefoons dienen gewoon op naam van de kopende burger op basis van identificatieplicht worden geregistreerd. Auto’s rijden ook niet zonder kentekenbewijs.
  3. Internetaansluitingen van woningen dienen gewoon, net als straatadressen gewoon bij de overheid te worden geregistreerd. Wat is het verschil tussen een straatadres en een elektronisch adres?
  4. Infrastructureel is van alle woningen bekend of ze aansluitingen voor energie en water hebben. Verstrek ook de verbruiksgegevens van woningen en bedrijven, die geven vaak belangrijke aanwijzingen geven voor criminele gebruikers.

Juist door het ontbreken van die mogelijkheden voor politie en justitie, brengt het heimelijk ongericht gebruik van massaal data-trawlen via algoritmes door de overheid grote risico’s met zich mee, dat onschuldige burgers slachtoffer worden van datadiscriminatie. Ingevoerde gegevens zijn meestal onbetrouwbaar en daarnaast worden gegevens gecombineerd waartussen geen enkel oorzakelijk verband hoeft te bestaan (alleen toevallige correlatie). En bedenk daarbij ook dat algoritmes niets anders doen dan dat wat het computerprogramma is ‘geleerd’ door de makers, hetgeen ook complete onzin kan zijn.

Indien je bijvoorbeeld een computer leert misdadigers te herkennen op basis van foto’s en persoonskenmerken alsmede burgerlijke data van de huidige gevangenispopulatie, dan kun je vooraf al voorspellen dat het algoritme gaat zoeken naar jonge mannen met een donkere huidskleur uit bepaalde wijken. Die zijn immers oververtegenwoordigd in de gevangenissen.

De Chinese overheid maakt gebruikt van een gezichtsherkenning algoritme dat via camera’s op straat werkt. Het toegepaste algoritme gebruikt de ‘wetenschappelijke’ kennis dat criminele burgers op straat nauwelijks lachen. Criminelen lachen namelijk ook niet op foto’s gemaakt bij hun arrestatie…

Als veel overtredingen en misdaden inmiddels met elektronische middelen via internet wordt gepleegd (bijv. fraude, kinderporno, datadiefstal) zou je verwachten dat je burgers via de rechter ook elektronisch kunt straffen, bijvoorbeeld:

  • 6 maanden geen internet aan huis;
  • 1 jaar geen gebruik van een mobiele telefoon;
  • Ontneming van elektronische informatie privacy voor een jaar – justitie heeft dan het recht specifiek het internetverkeer van een burger te volgen.

Allemaal echt niet zo moeilijk te regelen.

Burgers kunnen geen veiligheid van de overheid vragen en tegelijkertijd het de overheid in de huidige digitale wereld onmogelijk maken die veiligheid proberen te borgen en criminaliteit te bestrijden. De overheid moet naar mijn mening niet zo bang zijn om voor haar taken de noodzakelijke data van burgers te eisen en te gebruiken en daar open over te zijn. Het is juist de stiekeme aanpak via achterdeurtjes die burgers wantrouwend maakt. Het parlement moet in deze niet publiekelijk meehuilen met de privacy-wolven uit het bos. Een parlement dat wel even ’tussendoor’ zonder veel ruchtbaarheid goedkeurde dat de overheid onder voorwaarden gegevens van burgers via derden mag onderscheppen.

Informatie privacy (2): Data tien maal beter beveiligen!

Bij semi-overheidsinstellingen en instellingen in de medische- en zorgsector spelen vaak dezelfde problemen, die ik in het eerste artikel beschreef  (denk aan de SVB, het UWV of de GGD’s). Maar bij deze instellingen spelen vaak ook andere zaken zoals: slechte opleiding en gebrek aan ervaring van steeds wisselend tijdelijk personeel in het gebruik van systemen.

In de Medische- en Zorgsector (ziekenhuizen, zorgverzekeraars) is geautoriseerd gebruik van medische gegevens van burgers helemaal van essentieel belang. Een burger heeft hier helemaal geen keus ten aanzien van zijn informatie privacy. Die sectoren verzamelen zelf hun gegevens over de burger (die vaak niet eens weet welke informatie) en dienen dus op en top te regelen dat dossiers niet voor niet-bevoegden te raadplegen zijn. Maar dat gebeurt vaak wel.

Geautoriseerd gebruik vraagt om robuuste IT-systemen (voor wat betreft inlog-procedures, kopiëren van data en noodzakelijke externe datacommunicatie). Maar vooral ook beveiliging tegen het binnendringen van systemen door hackers.

Je kunt alleen maar iets stelen uit een gebouw, als er in een gebouw onvoldoende beveiligde ramen en deuren zitten of als er onvoldoende 24-uurs bewaking aanwezig is. Je moet of systemen met essentiële data qua capaciteit slechts heel beperkt op een open internetverbinding aansluiten en/of op internetverkeer 24-uurs menselijke bewaking instellen. In de cybercrime wereld van vandaag is het niet meer mogelijk van de voordelen van IT systemen gebruik te maken, zonder de kosten te dragen voor zware beveiliging.

Het kern probleem is echter dat de bestuurders vaak generalisten zijn met weinig inhoudelijke kennis van zaken en zeker niet van informatietechnologie. Wie ergens geen verstand van heeft, houdt zich er echter meestal ook niet mee bezig en laat het over aan anderen (consultants..), afgezien van wat algemene instructies. Budgettair is het meestal ook niet erg sexy om daar veel middelen aan te besteden.

Wettelijk gezien zul je dus moeten regelen dat ongeautoriseerd gebruik van systemen op de werkplek direct wordt afgestraft (bijv. zowel boetes voor de werknemer als de werkgever) en moet je hoge eisen stellen aan de beveiliging van systemen (met directe aansprakelijkheid van bestuurders en eventueel onder toezichtstelling door derden). De Autoriteit Persoonsgevens is in deze een papieren tijger. Deze organisatie heeft wel veel bevoegdheden, maar weinig feitelijke  mogelijkheden tot onderzoek en controle.

Wellicht moet je naast de controle van de Jaarrekening, accountants wettelijk ook verantwoordelijk maken voor de jaarlijkse controle van de beveiliging van IT-systemen of daar een aparte certificeringsorganisatie voor opzetten. En organisaties aparte vergunningen verlenen om data van burgers te verwerken, maar pas na certificering van de beveiliging.

Cyberspionage door andere landen brengt vooral enorme maatschappelijke en  economische schade toe. Zie het recente voorbeeld van diepgaande penetratie van overheidssystemen in de Verenigde Staten. In Europees verband zouden afspraken moeten worden gemaakt om internetverkeer uit bepaalde landen te routeren via bepaalde datacentra, zodat dit verkeer bij die centra dag en nacht kan worden gemonitord. We bewaken wel grenzen, waarom bewaken we nauwelijks het internetverkeer over die grenzen?

Informatie Privacy (1): de overheid maakt er een puinhoop van

De persoonlijke gegevens van miljoenen autobezitters in Nederland zijn gehackt, zo werd kortgeleden bekend. Een commercieel bedrijf had de gegevens verkregen via de Rijksdienst voor het Wegverkeer en had die die in zijn eigen systemen onvoldoende beveiligd. Er volgden weer de bekende klaagkoren over het grootschalige aantasting van de privacy en mogelijk criminele gevolgen. Er wordt  dezer dagen weer heel wat over ´privacy’ geschreven, maar echter heel weinig fundamenteel over gedebatteerd, ook niet in het parlement.

In de Nederlandse Grondwet (artikel 10) is privacy omschreven als het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het recht op privacy is een grondrecht. Personen hebben het recht door de staat en door andere personen met rust gelaten te worden.

Privacy van informatie is de afwezigheid van informatie over onszelf bij anderen en bovendien het verbod aan anderen om zonder onze toestemming die informatie te verwerven. Privacy met betrekking tot elektronisch zakendoen, is dus het recht op informationele zelfbeschikking. Dit houdt niet alleen de afwezigheid van informatie over onszelf bij anderen in, maar ook het recht van ieder individu om zelf te bepalen welke informatie over zichzelf hij ter beschikking stelt en welke niet.

Met name de informatie privacy is al vele jaren in het geding. Maar daarbij wordt mijns inziens onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de verschillende partijen, die betrokken zijn bij informatieverwerking van gegevens over burgers. Allereerst moet onderscheid worden gemaakt tussen overheidsinstellingen, gemeenschappelijke instellingen ten behoeve van alle burgers, non-profitorganisaties en commerciële instellingen. We beperken ons in dit eerste artikel tot de overheid.

De overheid vormt het bestuur van de gemeenschap van burgers van een land. Om die taken ten behoeve van burgers en andere aanwezigen in een land uit te voeren, hebben overheidsinstellingen automatisch het bestuurlijke recht om noodzakelijke gegevens van burgers vast te leggen én te gebruiken bij haar dienstverlening en beleidsvoorbereiding.

Die bevoegdheid gaat vrij ver. De overheid mag geverifieerde data vastleggen van inwoners over familie omstandigheden, burgerlijke staat, nationaliteit(en), biometrische kenmerken, woonsituatie en bereikbaarheid, werkgever, belastinggegevens, deelname aan en gebruik van overheidsvoorzieningen e.d. Kortom alle data die nodig zijn in het directe en indirecte ’transactie’ verkeer tussen inwoner en bestuurlijk orgaan.

Er is geen rationele reden te bedenken, waarom een deel van de overheid, Justitie en Politie, geen gebruik zou mogen maken van de data, welke de overheid tot haar beschikking heeft, om overtreding van wetten en misdaden op te sporen en te vervolgen. Alle bezwaren van burgers over ‘privacy’ in die zin, zijn eenzijdig, in de zin van: ‘ de overheid moet wel…, maar de overheid mag niet …. Waarom zou de politie niet in systemen van de Immigratie en Naturalisatiedienst mogen kijken?

Er is ook geen redelijk motief te bedenken, waarom de overheid niet in al haar systemen zou mogen werken met een burgerservice nummer, om data uit verschillende systemen te kunnen combineren. Het is zelfs in het belang van de burger (zie onder). Nederland is een van de weinig landen, waar het maatschappelijk verzet tegen dergelijke combinatie van gegevens nog altijd groot is. Maar wel met het gevolg dat veel overheidsorganisaties weinig effectief ten behoeve van de burgers kunnen werken, laat staan doelmatig.

De problemen met de informatie privacy rond gebruik van data van inwoners door de overheid liggen grotendeels ergens anders, namelijk op het vlak van de organisatie van die gegevens binnen de overheidsbureaucratieën.

  1. De verschillende overheidsorganen hebben de afgelopen 20 jaren aangetoond volstrekt incompetent te zijn ten aanzien van het ontwikkelen van effectieve IT-systemen om de gegevens van burgers te verwerken. Al jaren worden jaarlijks miljarden uitgegeven aan slecht werkende systemen, ondanks uiterst de inzet van kostbare consultants. Ook op dit terrein heeft de overheid zich volstrekt incompetent getoond (en de consultants ook…).
  2. De beveiliging van de toegang van de overheidssystemen is volstrekt onvoldoende ten aanzien van niet-geautoriseerd gebruik door onbevoegden en ten aanzien van indringers (hackers), hetgeen je dagelijks in het nieuws kunt vast stellen. Waarom niet voor iedere overheidsgebruiker, ook systeembeheerders, een digitale tweetraps beveiliging per eigen mobi wordt ingesteld is mij een raadsel. Dan weet je wie er ingelogd heeft.
  3. Overheidsorganen, zoals de RDW, hebben ten onrechte in het verleden hun gegevens gebruikt als commercieel verkoopbare data, alsof de overheid enig recht heeft gegevens over haar burgers aan derden ter beschikking te stellen. Dat recht heeft ze niet, ook onbetaald niet, zelfs niet aan buitenlandse overheden – zonder uitermate strenge controles. Maar het gebeurt wel.
  4. Juist door de dramatisch slechte informatie huishouding van de overheid zelf, wordt van de burger keer op keer dezelfde informatie geëist bij nieuwe interacties, waarbij inmiddels elektronische formulieren met steeds weer dezelfde gegevens hoogtij vieren.
  5. De beperkingen van de overheidssystemen limiteren tegelijkertijd vaak de gelijke rechten van burgers. Na de toeslagenaffaire zijn er nu bijvoorbeeld weer problemen rond de vaststelling van Covid-steun vooral aan kleinere bedrijven. Minister Koolmees durft zelfs letterlijk te stellen dat hij Covid-steun moet terugvorderen omdat de systemen geen bijzondere situaties aankunnen. Wellicht is het inderdaad aan te bevelen om alleen nog beleid te maken dat of door mensen of door geautomatiseerde systemen op juiste en rechtmatige wijze kan worden uitgevoerd, rekening houdend met de enorme diversiteit in de situaties waarin burgers leven, wonen en werken.
  6. Diezelfde ‘systeem’ beperkingen gelden ook voor controlerende overheidsorganen, alsmede justitie en politie. De fraudeaanpak rond de uitkeringen van toeslagen voor kinderopvang (toeslagen-affaire) was gebaseerd op de zgn. Bulgarenfraude. Vele tientallen Bulgaren vroegen deze uitkering aan, wonend op 1 adres… Ambtenaren signaleerden dit wel, maar geen bestuurlijk manager die actie ondernam. Als je als burger in een huur- of koopwoning de Gemeente vraagt wie er mogelijk nog meer op jouw adres staan ingeschreven, dan is het antwoord: dat mogen wij u niet vertellen in verband met de ‘privacy’. Dan krijg je na betaling een brief met de mededeling of er nog andere mensen op jouw adres staan ingeschreven, niet wie. Die persoon moet zichzelf weer ‘uit’ schrijven….

Als burger moeten we terecht onze informatie privacy aan onze overheid bloot stellen. Het is onze overheid die er bij het gebruik van die data een puinzooi van maakt. 

*definities wikipedia 

We moeten het plastic afval nu ook echt aanpakken!

Als je huis in brand staat, er oorlog is of een andere crisis zul je stevige actie moeten ondernemen, dan is ‘polderen’ zinloos. Dat heeft de Corona crisis al aangetoond. Hoe lang hebben we nog om verdere rampen in onze leefomgeving te voorkomen? De politici maken hun plannen met het oog op 2050. Nog dertig jaar. Juist zo’n lange termijn draagt bij aan het voortdurend uitstellen van maatregelen. Laten we eens kijken in het geval van plastic afval en andere kunststofafval.

Plastic kwam circa 75 jaar geleden in onze wereld als menselijke uitvinding. We zullen ook zeker 75 jaar nodig hebben om wereldwijd het overal als afval aanwezige plastic op te ruimen. Plastic als product bracht zeer hoge externe kosten met zich mee, welke werden afgewenteld op onze leefomgeving. Plastic werd de grootste zichtbare vervuiler van de hele wereld.

Maar niet alleen zichtbaar. In de grote bevolkingscentra zijn nanodeeltjes plastic aanwezig in de organen van mensen (vaal al in baby’s en jonge kinderen). In de oceanen zijn nanodeeltjes plastic, maar ook stukken van doodgewone boodschappentasjes, aanwezig in de magen van vogels, vissen en kleinere organismen. Plastic en kunststof zijn chemische samenstellingen die niet natuurlijk voorkomen. De evolutionaire gevolgen voor alle levende organismen van die vervuiling zijn nog totaal onbekend. Die zien we hooguit pas over 50 jaar.

We zullen dus niet alleen het plastic afval wereldwijd moeten opruimen, maar ook het nog te produceren plastic. Voor het afval van plastic en andere kunststoffen bestaan maar drie keuzes: volledig recyclen, verbranden of doodgewoon afschaffen, niet meer toepassen. Maar niet meer storten in de leefomgeving. Veel plastic kan niet worden hergebruikt omdat het simpelweg te vervuild is met andere stoffen. Dat is de reden dat veel Nederlandse gemeenten plastic niet meer apart inzamelen (waaronder Utrecht). Tijdens de afvalverwerking wordt het nog bruikbare plastic er door de afvalverwerkers ‘wel’ uit gehaald. Maar wat er daarna mee gebeurd?

Op zich is er voor veel plastic op korte termijn een simpel alternatief. Alle plastic fles verpakkingen gevuld met stoffen, die niet geschikt zijn voor recycling, gewoon weer in glas verpakken. Glas is goedkoop en gemakkelijk te recyclen. Natuurlijk: dat is qua vervoer (zwaarder) duurder, maar dat is dan maar zo. Voor heel veel voedsel en persoonlijke produkten (tot en met tandpasta) is een potje glas een prima klassiek alternatief. Wellicht wat onhandiger met minder uitstraling, maar so what? Als alternatief is traditioneel ook nog  karton/papier beschikbaar, logistiek wellicht ook minder handig, maar desalniettemin een herbruikbaar alternatief.

Op grond van wetenschappelijke onderzoekresultaten moet het mogelijk zijn (los van alle bedrijfsmatige en maatschappelijke gezeur) vast te stellen welke plastic en kunststofproducten (zoals piepschuim) sowieso niet meer geproduceerd moeten worden, wegens gevaarlijke vervuilingseffecten (behandel dergelijke stoffen maar als nucleair afval!). Op dezelfde wijze kan verplicht worden om allerlei soorten plastic sowieso te verbranden. Ook bij plastic, net als bij ander afval, zullen hoge verbrandingskosten leiden tot versnelde innovatie op verpakkingsgebied.

Als resultaat blijven er dan nog 2 soorten plastic als afval over: lokaal in een land te recyclen of te verbranden. Dan lukt het waarschijnlijk inderdaad om over 75 jaar wereldwijd uitgestrekte gebieden en oceanen van plastic te ontdoen. En kunnen we de evolutionaire effecten (zoals uitsterving van soorten, inclusief menselijke ‘plastic’ ziektes) wellicht nog te beperken.