Die aardige multimiljonairs

De Volkskrant (130720): Superrijken willen meer belasting betalen voor de gevolgen van de coronacrisis.

Die multimiljonairs en miljardairs voelen de bui al hangen: ‘beter dat we zelf vragen wat meer belasting te mogen betalen dan al die sociale onrust en straks die gelijkheidsrevolutie over ons heen  te krijgen. We sturen gewoon een briefje naar de krant, nog even voor de G7 bij elkaar komt, dan zijn we misschien van het gedonder af’.

Bij het lezen van dat Volksrant berichtje moest ik even denken aan de Duitse filosoof Hegel (1770-1831) die in een passage van zijn ‘Phänomenologie des Geistes’ de symbiotische verhouding meester-slaaf analyseerde aan de hand van de zgn. dialectische methode. Met dit voorbeeld wilde hij laten hij zien dat de vooruitgang in de menselijke geschiedenis verloopt in een voortdurend proces van eerst ideeën, dan tegenideeën en tenslotte nieuwe ideeën: these, antithese en synthese.

In de these en antithese toont zich de symbiose van de kapitalist-meester die evenzeer afhankelijk is van de arbeider-slaaf, als de slaaf van zijn meester. De meester heeft zo goedkoop mogelijke arbeiders nodig. Of nog goedkoper: machines die de slaaf kunnen vervangen, en zo nodig goedkope arbeiders laten migreren of de productiemiddelen verplaatsen naar lage lonen landen. Alleen op die manier kan zo veel mogelijk winst worden gemaakt, kunnen investeerders worden aangetrokken, kan de markt uitgebreid worden en de bedrijfsgroei versneld. Om die machtspositie (these) te behouden had de meester aanvankelijk een knuppel nodig, belangrijke politici in zijn achterzak, en een religieus-, wettelijk- en filosofisch-geloofssystem om de slaaf aan het werk te houden. 

Daartegenover staat de macht van de slaaf (antithese) die aanvankelijk niets kon doen tegen het dagelijkse geweld, maar eenmaal bevrijd kwam de feodale of kapitalistische meester in het nauw. Daarna ontworstelde de arbeider zich in de laatste eeuw steeds verder. Hij kon saboteren en revolteren, en omdat ie in de meerderheid was kon hij zijn bevochten stemrecht gebruiken om zich politiek te verenigen, om vakbonden op te richten, stakingsrecht te krijgen, kortom een meer democratisch staatsbestel afdwingen. Soms was er revolutie voor nodig (de Franse, Russische, Chinese revolutie) om de tegenmacht kracht bij te zetten. Regelmatig schoot ook de slavenmacht door: het schrikbewind onder Robespiere, Stalin en Mao. En soms kwamen er  andersoortige meesters met hun hypernationalisme/fascisme: Hitler, Mussolini, Franco.

In de strijd tussen de these van het kapitalisme versus de antithese van het socialisme lijkt de eerste het te hebben gewonnen, maar er is nog steeds geen werkelijke synthese bereikt. In tegendeel, de strijd laait weer op: tussen the have’s and the have-not’s, tussen blank en gekleurd, tussen etnische groeperingen, tussen de beide seksen, tussen de hetero’s en de rainbow people. Die ‘Hegeliaanse strijd’ speelt zich tegelijkertijd op economisch, cultureel, intellectueel en moreel terrein af.

De Hegeliaanse strijdmiddelen zijn aan beide zijden divers: een polariserende pers, de sociale media, kleine extremistische en activistische groepen. De oorspronkelijke links positieve identiteitspolitiek is inmiddels volledig doorgeschoten naar een geperverteerd slachtofferisme dat de tegenpartij met schuldgevoel probeert te chanteren en monddood te maken. Aan de rechterkant staan de traditioneel conservatieve blanke nationalisten, zwaar bewapend (in de VS), hun vermeende erfgoed al rellend te verdedigen.

Ook overheden doen wereldwijd mee aan de antithese door middel van zgn. ‘affirmative action’:(wettelijke)regelgeving ter bestrijding van discriminatie op sekse, geloof en etnische oorsprong. Maar elk land doet dat weer op zijn eigen vaak schijnheilige en zichzelf bevoordelende manier. In India wordt het kastensysteem niet afgeschaft, in Arabische landen zijn nauwelijks vrouwenrechten, in China worden de Islamitische Oeigoeren met nazipraktijken ‘heropgevoed’ en staat de burger elektronisch onder 24/7 surveillance, etc.

Men kan rustig zeggen dat de Westerse wereld ver voorop loopt met zijn ‘affirmatieve acties’ maar er is beslist nog niet een synthese in zicht, want een synthese veronderstelt een relatief structurele, systemische rusttoestand in een cultuur. Zo’n sprong van Verlichting naar Romantiek naar Modernisme en Postmodernisme wordt niet gemaakt. Zelfs een aanloop daartoe niet, en al zeker niet wat betreft een synthese met een nieuw economisch systeem.

Je vraagt je af wat Hegel zou vinden van die multimiljonairsactie. Ik vermoed dat hij zou zeggen: het is een Paard van Troje, een omgekeerd slachtofferisme, een fopspeen waar ze zelf in hun dagelijks leven geen enkele last van hebben. En als ze de Coronacrisis als achterliggend grootmoedig motief gebruiken komen ze er ook nog mee weg als liefdadigheidshelden. Filantropie in welke vorm dan ook is mooi maar het raakt het wezen van een vigerende economische en culturele ideologie niet, integendeel, het bevestigd die juist. Zoiets.

Natuurlijk moet er gezegd worden dat alleen onder het kapitalistische systeem, in al zijn vormen, vooruitgang is geboekt. Er is wereldwijd meer welvaart (inkomensstijging), meer gezondheid (minder sterfte door investering in medisch technologische middelen), meer welzijn (minder oorlog, kinderarbeid), beter en betaalbaar onderwijs (in vrijwel elk land), meer vrijheid voor burgers, voor specifieke groepen (vrouwen, arbeiders, studenten) en minderheidsgroepen (gendergroepen, etnische groepen). Tegelijkertijd kent het systeem ook vele nadelen, kent ze corruptie en loopt het op tegen de grenzen van rechtvaardigheid, gelijkheid en ecologische limieten. (lees S.Pinker, T.Piketty, F.Fukuyama, ea.)

Niemand weet in welke richting de wereldgeschiedenis zich gaat ontwikkelen maar het lijkt er wel op dat de Corona-crisis toont dat de houdbaarheidsdatum van het kapitalisme/neoliberalisme niet meer ver weg ligt. Bij escalerende spanningen tussen de these en de antithese in de westerse wereld zijn maar een paar uitkomsten mogelijk: burgeroorlog met een daarna blijvend dominante ideologische overwinnaar. Of toch nog een synthese, voortkomend uit een diep besef dat alleen een nieuwe gender-, etnische- en een economische gelijkheidsideologie een ramp kan voorkomen. Die synthese zal iets moeten hebben van een soort ‘sociaal kapitalisme’, met behoud van vrije meningsuiting, individuele waardigheid en het behoud van een gezonde ecologische wereld. Zoiets mag je op hopen, tenminste als je de plicht tot optimisme serieus neemt.

15 Minuten Roem – of alles is IJdelheid

De Sociale media hebben een beeldrevolutie veroorzaakt in foto’s en filmpjes. Niet zozeer technisch maar sociaal. Iedereen kan zichzelf via deze media in de etalage zetten met selfies, met hun doen en laten, met het vloggen van hun leven. Iedereen kan inmiddels een eigen televisiekanaal op YouTube creëren.

Het zijn allemaal vormen van (soms zelfs inkomen verwervende) zelfpromotie. Kijk mij eens. Een laagje dieper is het natuurlijk in werkelijkheid de diepgaande menselijke behoefte om ‘gezien’ te worden. Zonder dat een ander je ziet, besta je immers niet. Dat begint al als baby. Zonder veel ‘likes’ op internet besta je tegenwoordig ook nauwelijks.

Je wordt als mens gedefinieerd door de blik van de ander, niet door een of ander authentiek ‘zelf’. De kijk van de ander vormt de kern van je autobiografisch verhaal, het verhaal dat je jezelf en anderen vertelt, het levensverhaal waarmee je je eigen ‘ik’ vorm geeft. Het verhaal dat van dag tot dag steeds een beetje verandert als je meer ‘verleden’ krijgt.

De presentatie wereldwijd van het zelf in de sociale etalage is vaak diepgaand verslavend. Net als het roken van sigaretten bij gevoelens van stress, moet de zelfpresentatie vaak de gevoelens van individuele eenzaamheid wegduwen. Die eenzaamheid lijkt de laatste jaren in de jongere generaties alleen maar groter geworden door het grote verschil tussen hoe een extravert, bijzonder en succesvol iemand moet zijn, zich voordoet en hoe degene in feitelijk zijn of haar leven ervaart.

Het verschil tussen zijn en willen zijn is volgens mij nog nooit zo groot geweest als in de jongere generaties. Want het gaat niet meer om wat je doet of wat je bezit, het gaat alleen nog puur om je eigen persoon. Ondanks de verschillende feministische golven, is mooi willen zijn volgens de regels (kleding, haar, ogen, lippen, tanden, huid, borsten, schaamstreek) opnieuw weer het opperste streven voor veel jonge vrouwen.

Die wereldwijde trend is mede veroorzaakt door de gevolgde rolmodellen. Want rolmodellen voor jonge mannen en vrouwen vormen tegenwoordig de ‘celebrities’ op wereldschaal. Niet de beste voetballer van het dorp, maar Messi. Niet het mooiste meisje van de klas, maar Madonna.

De kern van de ‘Celebrity-cultuur’ komt voort uit de Muzikale- en de Sportwereld, vooral door de massale commerciële marketing daarvan. En daar ligt ook het kernprobleem van de identificatie: wellicht één op de honderdduizend heeft de capaciteiten en de mogelijkheden om hun dromen en ambities tot navolging ook feitelijk vorm te geven, als ze geluk hebben. Voor de rest van ons is slechts sprake van in de toekomst moeizaam te sublimeren frustraties van niet kunnen zijn. En af en toe bij toeval ´15 minutes of fame’ , plaatselijk, regionaal of nationaal.

De lokale voorbeelden: de voortreffelijke leraar, de kundige timmerman, de sociale maar af en toe strenge politieagent, de kordate verpleegkundige in de operatiekamer  tellen nauwelijks meer mee in deze wereldwijde concurrentie om navolging. Echt ´verdiende’ wereldwijde roem wordt alleen nog beleefd in kleine kringen van kenners: Nobelprijswinnaars, Schrijvers, Ondernemers, Politici. Voor verdiende roem moet je echter veel kunnen en heel veel doen.

Internet roem is altijd eventjes in het heden. Die duizenden foto’s en filmpjes van gisteren en eerder zijn vandaag al niet meer relevant, dat was het oude ‘ik’. Nauwelijks de moeite waard om te bewaren. Het is geen roem om wat je bijdraagt aan de samenleving, maar pure ijdelheid vanuit pure eenzaamheid.

Je bent niet je identiteit

Persoonlijke aanpassing aan een nieuwe wereld lukt niet als je strikt vasthoudt aan je huidige ´peer´ groep: mensen met een vergelijkbare leeftijd, status, materiele welvaart, belang of belangstelling. Dan zal je leven een permanent gevecht worden ‘voor’ of ‘tegen’ omdat je als lid van de groep vanuit een vernauwd perspectief de wereld van de groepen, waar je deel vanuit maakt, als onveranderd wilt zien.

Het extreme individualisme van de afgelopen 30 jaar heeft mensen weggezogen uit hun traditionele groepen binnen een stad of dorp van familie, vrienden en werk naar (vaak virtuele) netwerken van gelijkgestemden op identitaire basis: naar gender en sekse, huidskleur, beroep of andere maatschappelijke basis. Dit is de belangrijkste reden van de maatschappelijke versplintering en de harde extremen ter linker- en rechterzijde.  

Zowel het progressief-identitaire activisme als het identitair nationalistisch populisme ontlenen hun bestaansrecht aan een slachtofferhouding tegenover ´de anderen’. Vaak gaat dit zelfs zover dat men anderen intimiderend willen censureren (mag niet gehoord of gezien worden), zoals kortgeleden Michael Moore overkwam naar aanleiding van zijn recente klimaatfilm. Maar ook alledaags door verkettering van ‘de ander´ via de sociale media. Soms lijkt het wel: hoe groter de geuite haat, hoe hoger de status in de eigen groep. Dergelijke strijd ontmenselijkt de ‘ander’. De internetzwermen doen soms denken aan een roedel hyena’s jagend op een solitaire prooi.

Identitair conservatieven vechten letterlijk om de wereld te houden, zoals die was. Waarin hun belangen, hun bezit, hun status behouden blijft, ze weigeren letterlijk te veranderen ook al is de wereld veranderd. Zij blijven vechten tegen de bierkaai. De tractor-acties van de boeren zijn hier een goed voorbeeld van. Maar het zijn altijd achterhoede gevechten.

Activisten in die identitaire groepen doen zichzelf als mens tekort. Een vrouw bijvoorbeeld, is niet alleen maar een vrouw; jezelf als vrouw daarop qua betekenis als individuele identiteit richten is letterlijk jezelf in een geestelijk korset opsluiten. Het is feitelijk jezelf veilig afscheiden van de wereld binnen een stam, groep, ter onderscheiding van andere groepen waartoe je niet mag, kunt of wilt behoren. De Belgische psychotherapeut Paul Verhaeghe beschreef dit al prachtig in zijn boek ‘Identiteit’ (2012), maar ook in een recente boekbespreking op zijn blog (link) .

Het aanpassen aan een nieuwe wereld zal op eenduidige identitaire basis zeker niet lukken. In een nieuw nummer zingt Bob Dylan: ‘I contain multitudes’. In het nummer verwoordt hij op zachte soms scherpe wijze hoeveel verschillende onverenigbare kanten hij van zichzelf kent, van diep melancholisch tot hard agressief. Ieders persoonlijkheid is uiterst dubbelzinnig. Niemand van ons, hoe uniek we als individu ook zijn als combinatie van persoonlijke beleving en uiterlijk gedrag, heeft een eenduidige consistente identiteit.

De mens is (ik ben) een vat van dubbelzinnigheden. De persoonlijkheid, het karakter, de deugd en de moraal als psychologische netwerkjes (karakter) van ouderlijke geboden, gestolde ervaringen en vastgeroeste gedragspatronen. Een vat vol emoties en gevoelens, waarin niet noodzakelijkerwijs een consistente authentieke eenheid aanwezig is, dus ook niet in de dagelijkse gedragingen. Mijn ik bestaat helemaal niet, maar is slechts een doorlopend steeds veranderend verhaal over mezelf om een stabiele basis te geven aan mijn dagelijkse bestaan. Zelfs al bestaat die stabiliteit alleen nog maar uit het verklaren van een gevoel van waanzin.

Jezelf herpositioneren in de wereld vergt de durf de vele kanten van jezelf te onderkennen. Dan maakt ook de energie vrij om voor een andere levenswijze te kiezen.

Spinoza: Iedereen gelooft…

Hoe goed opgeleid ook, hoeveel parate kennis iemand ook bij zich draagt, in zijn dagelijks doen en laten vult ieder mens de blanco plekken in zijn kennis, vaardigheden en ervaringen automatisch in met overtuigingen, waarin hij of zij gelooft. ‘Als ik Avocado’s met een sneetje roggebrood eet, blijf ik gezonder’. Door gebrek aan kennis zijn we eigenlijk allemaal bijgelovig op allerlei terreinen.

Als mensen zijn we diep ‘religieus’ ten aanzien van allerlei zaken die we ‘geloven’, onze overtuigingen, zelfs als de (wetenschappelijke) feiten deze overtuigingen tegenspreken. Die laten we niet zomaar los, we zijn vaak niet eens bereid deze los te laten, net als een Moslim zijn geloof in Allah bijna nooit los zal laten, die is diep geworteld in de structuur van zijn gemeenschap. Onze overtuigingen vormen een deel van hoe we onszelf zien, van ons autobiografisch verhaal.

Spinoza noemde die overtuigingen de eerste vorm van kennis . Het zijn ‘ínbeeldingen’ over de wereld. Hij vond dat je je overtuigingen voortdurend moest onderzoeken door rationele kennis (tweede vorm van kennis) te verwerven, door je overtuigingen binnen jezelf ter discussie te stellen. Want discussie daarover met andersdenkenden is erg moeilijk, immers die discussie gaat in wezen feitelijk onderhuids bijna altijd over je zelfrespect en je status ten opzichte van de ander.

Door zelf op grond van kennis je overtuigingen stap voor stap bij te stellen, verwerf je volgens Spinoza een derde soort van kennis, de verworven kennis wordt diepgaand onderdeel van wat je bent, ze wordt bijna intuïtief. Je leert dagelijkse situaties sneller en beter te doorzien en daar veel adequater op te reageren. Waarheid wordt dan eerder  rustgevende ‘ervaren’ waarheid dan een luid verkondigde.

Hiermee raakt Spinoza een belangrijke tweedeling als basis voor het handelen, die in het dagelijks leven nauwelijks tot uiting komt. Enerzijds het al redenerend nadenken van mensen over de wereld om hen heen, anderzijds het ‘ervaren’ van het ‘zijn’ in die wereld. De omstreden Duitse filosoof Heidegger benadrukte dit onderscheid op scherpzinnige wijze in zijn overigens onleesbare boeken.

Het ervaren van het eigen leven vooral op grond van ‘inbeeldingen’ (Spinoza’s eerste vorm van kennis) vormt de basis voor veel sterk gevoelsmatig bepaalde overtuigingen over de wereld en de ander, vooral in de spirituele sfeer en niet-wetenschappelijke benaderingen van de wereldse natuur. Maar ook voor het agressieve populisme, progressief óf rechtsconservatief. 

Een oude wijsheid stelt dat je voor beschaafde vriendelijke omgang met anderen geen discussie aan moet gaan over wat je gelooft of over politiek. Spinoza, een van de eerste voorstanders van vrijheid en democratie in Nederland, publiceerde zijn eerste boek (filosofisch theologische tractaat) in 1670 anoniem. De intolerantie in die dagen in Amsterdam leidde tot een officieel verbod op het boek. Tegenwoordig eisen al die vele versplinterde ‘geloofs’ richtingen op basis van hun inbeeldingen fanatiek opnieuw allerlei geboden en verboden uit naam van de vrijheid. Alsof de overheersing van een ander het enige is wat hun leven enige betekenis geeft.

Spinoza: de mens handelt meestal niet adequaat

De mens is zijn begeerte (behoeften) schreef de 17e-eeuwse Portugees-Nederlandse filosoof Spinoza. Hij beschreef de 56 ‘affecten’: emoties / gevoelens, die de mens kan ervaren in zijn omgeving en in zijn contacten/handelen met anderen, als afspiegeling van het in positieve of negatieve mate voldoen aan zijn sociale en materiele begeerten

De begeerten, het willen, is in de kern grotendeels gericht op de dagelijkse voedsellusten, op het verwerven van seksuele partners, op status binnen de hiërarchische orde van de groep en op materieel bezit. Wellicht zou je beter kunnen stellen dat buiten de drang tot pure overleving zoals bij andere dieren, voor de menselijke soort status (mede op grond van bezit) de weg naar de meeste en beste seksuele partners mogelijk maken – de ingebakken drang in alle levende wezens in de evolutie.

Ieder mens is dag en nacht bezig is met andere mensen. Zelfs als hij of zij eet of drinkt en slaapt (dromen). De mens handelend als sociaal dier vormt de kern van zijn dagelijks doen en laten. De omgang met wereldse natuur en – materie is in ieders denken volstrekt ondergeschikt aan – en slechts functioneel ten behoeve de relaties en interacties met andere mensen. Menselijke ideeën, filosofieën, kennis- en wetenschap, waarden en normen: niets heeft enige betekenis voor wie dan ook buiten het kader van zijn of haar relatie met andere mensen. Ons handelen, onze kennisverwerving, onze overtuigingen (ook de religieuze!), wat we belangrijk vinden en de normen voor ons handelen, onze politieke opinies, dit alles is volstrekt ondergeschikt aan de regels van de groepen waartoe we (willen)behoren. We zijn vrij, maar niet autonoom.

Spinoza noemde ons dagelijks handelen inadequaat als we merendeels gevoelsmatig handelen op basis van onze momentane materiele en sociale behoeften, hetgeen hij de oorzaak noemde van de meeste dagelijkse menselijke problemen en het menselijk lijden in het algemeen. Door kennis te verwerven en meer volgens de rede (redelijk) te handelen, zo stelde hij, verbeter je je eigen leven (en dat van anderen). Je gaat ´adequater´ handelen en ervaart grotere tevredenheid met je dagelijks doen en laten.

Spinoza’s filosofie vraagt om een ‘sceptische’ levenshouding. Het vraagt om voortdurende twijfel over kennis en waarheden die je worden voorgeschoteld. En tegenwoordig vooral twijfel over zo ongeveer alles wat je als waarheid op internet wordt voorgeschoteld: wie zegt het, waarom wordt dit nu op dit moment gezegd, welke belangen zijn er bij dit ‘nieuws’, deze informatie, voor de auteur in het geding, welke overtuiging wil men mij aansmeren, welke angst wil men zaaien, welke emotie in mij raken. Zeker in deze corona-tijd heb je als mens dagelijks een gezonde dosis scepsis nodig.

Wat is van waarde?

Niemand van ons heeft een ‘objectieve’ kijk op de wereld, ook wetenschappers niet. We observeren onze omgeving en onze relaties met anderen op ieder moment vanuit een perspectief van waarde / waardering, positief of negatief, naargelang de mate waarin de interactie aansluit bij onze persoonlijke behoeften en onderliggende gevoelens en emoties. We kunnen niet anders.

Op de website kritischehouding.nl wordt een overzicht gegeven van 365+ positieve waarden, kwaliteiten, op basis waarvan we onze interactie met de wereld en de mensen om ons heen observeren, beoordelen en (be-) handelen. Link.  De lijst is alfabetisch en bestaat zowel uit kwaliteiten van mensen als waarden welke we in de wereld nastreven. Je kunt alle kwalificaties omkeren naar hun negatieve zijde. Iemand is meer of minder betrouwbaar. De woonomgeving meer of minder veilig.

Jonathan Haidt, een befaamde Amerikaanse sociaal psycholoog, stelde vast hoe de verschillende wereldwijde culturen te vertalen zijn naar kernwaarden, denkbeelden die we maatschappelijk delen en welke de basis vormen voor ons maatschappelijk handelen. Hij komt tot 6 wereldwijde basisbeginselen.

Traditionele waarden:

  • Loyaliteit aan gezin, familie en de groepen waar een mens deel van uitmaakt. De meest duivelse zonde in deze is ‘verraad’.
  • Rechtvaardigheid. Ieder heeft recht op het zijne, op zijn of haar leven, op een waardige behandeling, op een aandeel in de maatschappij. Het kwaad in deze is bedrog en machtsmisbruik. Al in het oude Rome onderwerp van vele wetten.
  • Zorg voor de ander. Empathie. Heb uw naaste lief, help de ander, zorg dat de ander niets kwaads overkomt. Gastvrijheid: neem de vreemdeling op in uw huis.
  • Autoriteit. Gehoorzaamheid aan het gezag dat we zelf boven ons gesteld hebben. Dat gezag mag niet ondermijnd worden.
  • Heiligheid en Traditie. Het onaantastbare. Dat wat niet ter discussie mag staan. Dat wat we gezamenlijk beleven als het hogere. Ontheiliging van het heilige is letterlijk een doodzonde.

Daarnaast zijn de belangrijkste Westerse waarde sedert de Verlichting:

  • Vrijheid om het eigen leven te leven naar eigen overtuiging. De mens met de zijnen moet zelf in vrijheid vorm kunnen geven aan ‘the pursuit of happiness’, evenwel zonder de ander in zijn of haar vrijheid te belemmeren. Onderdrukking is het kwaad. Bestrijd dus het kwaad van de machtigen en de gewelddadigen.

Naar mijn mening dienen er tegenwoordig voor het Westen nog twee waarden aan toe te worden gevoegd, voortkomend uit onze protestants-christelijke historie:

  • Gelijkheid. Ieder mens dient in de groepen, waar hij of zij deel van uit maakt, gelijkelijk als lid van de groep behandeld te worden. De basis voor de democratische Rechsstaat.
  • Werk. Werken voor ons brood in het zweet van ons aanschijn. Voor jezelf en de jouwen behoren te zorgen. Veel geld verdienen. Maatschappelijk nuttig bezig zijn. Want ledigheid is des duivels oorkussen.

Al deze kernwaarden worden vooral in de westerse samenlevingen volgens Haidt verschillend beleefd door groepen van mensen. De praktische invulling zorgt voor de politieke tegenstellingen tussen conservatieven, liberalen, sociaaldemocraten. Werken, voor jezelf zorgen, weegt voor een conservatief bijvoorbeeld zwaar: de maatschappij behoort niemand financiële bijstand te verlenen, tenzij het echt niet anders kan. En dan nog liever hulp van buren dan van de overheid.

In onze postmoderne geïndividualiseerde neoliberale samenleving van de afgelopen 25 jaar ligt de nadruk maatschappelijk vooral op de waarden: vrijheid, gelijkheid en werk. Belangrijke persoonlijke waarden in ons huidige tijdgewricht zijn volgens Kinneging zgn. Vitale waarden: gezondheid en voeding, lichamelijke esthetiek, actief zijn, succes hebben (vaak vertaald als veel geld verdienen), geluk vinden en spiritueel bewustzijn.

Voor een noodzakelijke persoonlijke aanpassing aan een veranderde wereld zullen we ons persoonlijk af moeten vragen welke waarden eigenlijk onze absolute prioriteit hebben.

De menselijke rationaliteit is beperkt

Over Immanuel Kant’s 2e vraag: ‘wat is de mens?’ zijn inmiddels hele bibliotheken vol geschreven. In mijn visie is de mens:

  • Een beperkt rationeel wezen: veelal denkend in oorzaak en gevolg op basis van geobserveerde feiten,
  • Dat fysiek uiterst kwetsbaar is en biologisch bepaald alleen maar in groepen kan leven,
  • Met een enorme verbeeldingskracht omtrent toekomstige mogelijkheden en handelen,
  • Maar ook met  perspectivische inbeelding over de werkelijkheid op basis van verlangens, gevoelens en onderliggende emoties.

Welke beeld je van de mens (en dus van jezelf) hebt is uitermate belangrijk voor je persoonlijke keuzen en handelen. Als je de mens als puur rationeel ziet, dan verwacht je eigenlijk dat anderen ‘net zo rationeel’ als jij zullen handelen. De berekeningen van jouw ‘spreadsheet’ zullen volgen. Maar dat zal bijna nooit het geval zijn.

Beperkt rationele wezens doorzien lang niet altijd de feitelijke oorzaak en gevolg relatie van gebeurtenissen, ook niet bij hun plannen voor de toekomst. Daarvoor heb je enerzijds veel kennis en ervaring nodig en anderzijds moet je je persoonlijke motieven en emoties onderkennen. Beperkte rationaliteit verklaart ook de moeite bij keuzebeslissingen als er teveel keuze alternatieven zijn. Of als keuzen teveel verlies (emotionele pijn) veroorzaken .

Je mens-zijn, je persoonlijkheid wordt gevormd vanuit je genen en de invloeden vanuit je directe sociale omgeving, vanaf je geboorte. Er is zelfs sprake van een wisselwerking tussen je fundamentele externe beïnvloeding en je genen (die gaan uit of aan). Die fundamentele invloeden vertalen zich uiteindelijk zelfs volledig van hoofd tot voeten in je biologische processen: hoe je beweegt, wat je observeert (ziet), wat je perceptie is van de wereld om je heen, hoe je je voelt, wat je spanning bezorgt.

Geen enkel mens heeft dus een ‘objectieve’ blik op de wereld zoals hij of zij die ervaart. Tussen subject en object ligt in de observatie altijd een relatie van waarde / waardering, positief of negatief, naargelang de mate waarin de situatie aansluit bij zijn of haar persoonlijke behoeften en onderliggende emoties. De filosoof Pirsig noemde deze relatie de ‘kwaliteit’ welke een mens aan iedere momentane observatie of ervaring toekent.

Als we ons moeten aanpassen aan een nieuwe wereld zullen we ons dus in de eerste plaats onze eigen beperkte rationaliteit moeten realiseren en onze gevoelsmatig gedreven perspectief van de wereld, dus vooral welke waarden, kwaliteiten, ons leven betekenis geven.

We weten niet wat we niet weten

We gaan als mensheid hoogmoedig prat op de menselijke kennis en de daarop gebaseerde technologie. Maar we beseffen als mensen nauwelijks hoeveel we eigenlijk niet weten, dus komende bij Kant´s eerste vraag: wat kan ik weten?

Een van mijn favoriete filosofische auteurs is de Brit Bryan Magee. Hij schreef prachtige boeken over filosofen, waaronder een beroemd boek over Schopenhauer.

Magee is dit jaar overleden (89). In het jaar voor zijn dood heeft hij nog een klein boekje geschreven: Ultieme vragen. Kleine filosofie van leven en dood. Dit indrukwekkende werkje is zijn levenstestament met prachtig maar eenvoudig geformuleerde uitspraken over wat we kunnen weten.

Magee is altijd een echte Kantiaan gebleven. Wat kun je weten over de werkelijkheid. Wat is waarheid en welke betrekking heeft waarheid op vragen als ´hoe te leven´ en ‘schoonheid’. Hoe moet je tegen Religie aankijken ( ´… geen aandacht aan schenken, behalve antropologisch’). In de tweede helft van zijn leven is hij ook nog een aanhanger van de taalfilosoof Wittgenstein geworden, zij het met de nodige bemerkingen. Overal legt ook Magee relaties tussen kennis en taal.

Magee toont wetenschappelijk methodologisch aan hoe beperkt de huidige kennis van de mensheid over de wereld om hem heen is, ondanks alle verregaande  publieke pretenties van wetenschappers.

De materiele wereld (de aardse en kosmische) zullen altijd maar beperkt onderzocht kunnen worden op grond van het feit dat veel verschijnselen eenvoudigweg door de mens niet observeerbaar zijn. We zien niet wat we niet kunnen waarnemen.

Ook zal de kennis van complexe, door vele oorzaken in wisselwerking interacterende, verschijnselen beperkt blijven omdat het testen van theorieën eenvoudigweg onmogelijk is. Weer en klimaatverschijnselen, het functioneren van het menselijk brein en het menselijk bewustzijn, we kunnen slechts de uiterlijkheden onderzoeken. Juist daarom doorzien we de effecten van menselijk handelen op onze leefomgeving nauwelijks. Ook niet hoe we nieuwe virussen over onszelf afroepen.

Magee’s inschatting is dat we tot op heden nog niet eens 1 procent wetenschappelijke kennis hebben verworven over de aardse en menselijke werkelijkheid. We weten niet wat we niet weten. En dat zal wel altijd zo blijven.

Als we meer doordrongen raken van wat we als mensen allemaal niet echt weten (in plaats van afkeer te tonen voor wetenschappers die het niet met elkaar eens zijn), kunnen we leren onzekerheid over heden en toekomst standaard als onderdeel van ons leven te beschouwen. En die houding hebben we in de komende jaren van crisis zeker nodig.

Durf je eigen verstand te gebruiken!

Immanuel Kant stond in de 18e eeuw als een van de filosofische reuzen aan de basis van de Verlichting. Hij beschreef Verlichting als het menselijk wakker worden uit zelfopgelegde onvolwassenheid. Zijn motto: durf te weten, heb de moed je eigen verstand te gebruiken.

Maar meer dan 200 jaar later is de meerderheid van de mensen nog steeds niet bereid zelf na te denken. Niet over zichzelf en niet over de (sociale) wereld om hem of haar heen. Sociale veiligheid betekent voor de meesten van ons nog altijd het comfortabele aansluiten bij de meerderheidsopvattingen in de groepen en netwerken waar we deel van uitmaken. In grotere bijeenkomsten volgen we bijna altijd als kuddes schapen de leider. In massabijeenkomsten ontstaan bijna altijd zwenkende zwermen, net als bij jonge spreeuwen in het najaar. Tijdens de pubertijd raken we er langzamerhand aan verslaafd net als de anderen te zijn . En de meesten van ons raken die verslaving nooit weer kwijt (citaat Olga Tokarczuk – Nobelprijs winnares).

Ik ben bang dat het jongere generaties steeds meer ontbreekt aan een kritische houding. Sociale media zorgen voor een steeds groter verschil tussen het naar buiten toe geprojecteerde authentieke extraverte creatieve gepassioneerde ‘ik’ en de feitelijke persoon achter het toetsenbordje. Communicatie via die media is uiterst oppervlakkig. Iemand spontaan ‘life’ bellen of zomaar bij iemand langsgaan is ‘not done’, dat moet eerst wel worden afgesproken, zodat de agenda niet wordt verstoord en de nodige voorbereidingen kunnen worden verricht.

Het miserabel ( je moet het zelf leren..) ‘leuke’ onderwijs heeft de basisvaardigheden van velen ernstig beknot. Goed kunnen rekenen om snel allerlei verbanden in de buitenwereld te kunnen doorzien is een vaardigheid die nauwelijks meer wordt verworven. Helemaal slecht gesteld is het met taalvaardigheid. Taal is de muziek van de ziel. Verfijnd taalgebruik vormt de kern van de mogelijkheid om de wereld om ons heen te beschrijven en te begrijpen. Maar schept ook de voorwaarden voor diepgaande emotionele intimiteit met een ander, waar zovelen naar hunkeren.

We kunnen niet nadenken zonder onze emotionele reactiepatronen over de wereld talig te expliciteren. Ons eigen wereldtoneel, waarop we vol verlangens en begeerten onze rollen spelen, wordt geschapen door ons taalvermogen. Ons taalvermogen vormt de harde grens van onze wereld. Nauwelijks (het geduld hebben om) boeken te kunnen lezen sluit je af van al die menselijke verbeeldingen van anderen. De wereld van anderen te kunnen ervaren. Je eigen leven en denken te kunnen toetsen aan dat van anderen.

Gebrek aan taalvermogen maakt je emotionele- en gevoelsmatige binnenwereld uiterst vatbaar voor reclame beroepen op je consumptieve verlangens. Voor politieke propaganda  bij het vormen van je opinies. Voor fake informatie van kwaadwillenden. Inmiddels sluiten de media al lang aan bij het gebrek aan taalvaardigheid met een voortdurende neerwaartse trend naar nog eenvoudiger taalgebruik voor hun kijkers, lezers en luisteraars. Pure infantilisering. Politici weten inmiddels dat ze de meeste impact hebben met zgn. oneliners, waarbij hun standpunt in één regel populair kan worden weergegeven. Terwijl de materiële- en sociale werkelijkheid met geen pen in één eenvoudige regel te vatten is. In de Middeleeuwen was alles wat onverhoopt gebeurde ‘de wil van God’. We zijn inmiddels in de publieke meningsvorming terug bij dat soort bijgelovige simplificaties.

Voor een leven in deze snel- en fundamenteel veranderende wereld moet je jezelf verlichten: durven te weten, de moed hebben je eigen verstand te gebruiken. Zelf te bepalen wat je van waarde acht in je eigen leven. Daaruit zelf steeds weer conclusies te durven trekken ten aanzien van de maatstaven (normen), die je jezelf stelt voor je eigen zijn en handelen. Maar dat kan alleen door de gevoelsmatige beelden in je hoofd talig te expliciteren en te beredeneren.

Hoe relatief is waarheid?

In menselijke groepsverbanden is het kunnen vertrouwen op de leiders en de andere groepsleden fundamenteel van belang. Dat zit letterlijk biologisch in onze soort ingebakken. Betrouwbaarheid, loyaliteit, waarheid tegenover misleiding en verraad vormen biologische kernwaarden in de menselijke beleving.

In de postmoderne samenleving is vooral het begrip ‘waarheid’ relatief geworden. Als individu heeft ieder zijn eigen door hem of haar ervaren waarheid en worden feitelijke observaties ook nog slechts als datasetjes behorende bij een opinie beschouwd. De commercie (inclusief de media) heeft er de laatste tien jaar alles aan gedaan om die opvatting over waarheid winstgevend te benadrukken. De laatste jaren heeft ook de politiek deze opvatting omarmd. Je kan iedere feitelijkheid een andere draai (spin) qua zienswijze geven. In Amerika behoort inmiddels ronduit liegen zelfs tot de standaard gereedschapskist van de politicus.

Karl Popper, vermaard filosoof en wetenschapper definieerde de menselijke relatie tot zijn wereldse werkelijkheid op 3 niveaus.

  1. De relatie tot de levende en dode natuur om hem heen. De materiele wereld.
  2. De relatie tot de mensen om hem heen. De sociale wereld.
  3. De relatie tot de in zijn tijdvak bestaande ideeën over de materiele en de menselijke wereld. De intellectuele wereld.

Kennis en waarheid zijn dus kwalitatief verschillend op de 3 aanrakingspunten tussen mens en wereld.

Onze kennis over de materiele wereld kunnen we met wetenschappelijke methoden verwerven en tijdelijk met consensus tussen wetenschapper als waarheid aannemen, totdat nieuwe methoden en inzichten die kennis vernieuwen en dus de waarheid veranderen. Maar die tijdelijke waarheden kunnen functioneel en materieel toegepast worden. We brachten er mensen mee naar de maan. We proberen er de huidige pandemie te bestrijden.

Tijdens deze levensbedreigende corona-pandemie zijn er nog altijd gekken die de (nog steeds uiterst beperkte) wetenschappelijke kennis over het Covid-19 virus terzijde schuiven. Maar de meesten van ons volgen van minuut tot minuut het nieuws om te weten te komen of de wetenschappers al weer nieuwe feiten over het virus achterhaald hebben. Want de niet-relatieve waarheid van het virus is dodelijk.

Onze kennis over het individuele en relationele functioneren van mensen lijdt aan het gebrek dat de wetenschappelijke methode beperkingen kent bij het onderzoeken door mensen van ander mensen. Zelfs tijdelijke wetenschappelijke waarheden hebben op dit terrein vaak een beperkte geldigheid en toepasbaarheid. Maar zelfs die kennis is nog altijd beter dan allerlei verzonnen onzin.

Kennis over de menselijke ideeënwereld is vooral beschrijvend. Er kan generlei algemeen geldende waarheid aan worden ontleend. Maar juist op terrein van de menselijke ideeën wordt het hardste gestreden over wat waar is en wat niet, terwijl generlei waarheid zelfs maar kan worden bewezen.

Onze ideeën over de wereld en onze kennis over sociale relaties ontlenen we dus vooral aan onze opvoeding, aan onze sociale omgeving, aan wetenschap en filosofie, maar vooral aan onze eigen levenservaringen. En die ideeën zullen we dus zelf dagelijks met een kritische houding moeten onderzoeken.