Het publieke debat (1): ventiel of pomp?

Het publieke debat, wat is dat eigenlijk? Wie praat er dan met wie? Op welke plek vindt dat debat plaats? En over welke onderwerpen moet dat debat dan wel of niet gaan? Hoe praat men in een debat, zijn daar regels voor (nodig)?

Als je iets over de geschiedenis van het publieke debat wil weten moet je bij rechtsfilosoof J.Habermas* zijn, dus dat slaan we hier maar even over. Als je een definitie van het publieke debat wil, kan je die natuurlijk op het WWW opzoeken, maar dan kom je er nog niet goed uit, want er zijn er uiteraard meerdere. Hooguit dat het om een publieke interactie tussen mensen gaat, een publieke uitwisseling van ideeën over belangrijke sociaal-maatschappelijke kwesties, en dan op een gelijkwaardige en wederkerige basis. En hooguit dat ‘het publieke debat’ niet betekent: alles tussen het Malieveld-zeepkistgeroep en een wetenschappelijk debat.

De zeepkist, dat is b.v. Willem Engel (viruswaanzin) of Michel Reijinga (Nederland in verzet), notoire narcistische/gepsychopatiseerde relschoppers die zwakbegaafde roeptoeters, voetbalhooligans, leeghoofdpubers, hitsige festivaldopies, plundertatoetjes, complotwappies, tokkieracisten en homeopatische wokies verleiden, verzamelen en ze explosief mixen met gewone boze demonstranten. En dat alles ‘om de wereld te bevrijden van het juk’. Rattenvangers van Hamelen, die i.p.v. de stad uit, de ratten de stad in laten lopen, om te gaan ‘koffiedrinken’.

Aan de andere kant staan de wetenschappers die voor 99% van de bevolking niet echt te volgen zijn, want daarvoor moet je wel heel diep in de statistiek, methodologie en relevante literatuur zitten. Je spreekt toch ook geen Swahili? En ergens daar tussenin zou dan het publieke debat moeten plaatsvinden? Maar waar dan? 

Op welke ‘publieke plek’ past een fatsoenlijk publiek debat? Sociale media vallen dan meteen al af natuurlijk, veel geschreeuw en weinig garen. De gepolitiseerde kranten worden nauwelijks gelezen en (eenmalig) ingezonden stukken zijn zeer schaars. Het lezen van een krant of kijken naar TV-discussieprogramma’s (met steeds dezelfde incrowd), dat is niet hetzelfde als deelnemen aan het publieke debat, want hier ontbreekt immers de doorlopende uitwisseling van ideeën met het brede publiek. Er is geen sprake van een doorlopende, gelijkwaardige wederkerigheid, wat een debat kenmerkt. Of winig sprake van artikelen en opiniestukken van niet bij de krant in dienst zijnde journalisten. De krant/tv filtert en voedt de lezer met zijn eigen redactioneel gekleurde content. De lezer en de kijker zijn geen deelnemers aan het publieke debat, hooguit volgers van een zeer beperkt en voorgebakken debat. 

Dan blijft er al gauw niet veel meer aan debatinteractie over dan geïnterviewd worden door Jinek, Nieuwsuur, M, Humberto, Buitenhof, WNL, e.a. Op zijn best wordt je toeschouwer van een interessant mens met een interessant betoog, dat echter al snel door tijdsdruk afgekapt moet worden en waarbij het heldhaftige behouden van de eigen positie als belangenvertegenwoordiger van de achterban eraf druipt. Op zijn slechtst is het infotainment, meestal van een hoog Marco Borsato en Rijdende Rechter gehalte. Tweede Kamer debatten kunnen nog wel eens een interessante debatstrijd opleveren, maar ze strekken vaak niet verder dan de waan van de dag. Terwijl het toch vooral over de waan van de komende generaties zou moeten gaan, over de fundamenten waarop politieke beslissingen staan. Want politiek is in de eerste plaats toegepaste ethiek. Fundamentele ethische vragen, over wat de rechtvaardiging is van ons economisch model, het behoud van de planeet, over het (on)nuttig gebruik van kennis en technologie. De plekken waar de burger nog gezamenlijk hardop denkt over deze vragen is op het terras, de leesclub, de school, de filosofische cafe’s, en bij de koffiemachine. Marginaal dus.

‘Het onderwerp van het publieke debat’ zou allereerst moeten gaan over de aller heetste maatschappelijke halszaken: het migratievraagstuk, racisme, ecologische rampen, ons economisch model, het bewaken van  democratische waarden/normen en de Big-Tech gevaren. Allemaal onderwerpen die fundamenteel en zeer complex zijn en waarover dus zeer genuanceerd gedebatteerd zou moeten worden. En daarnaast moet het gaan over de hete hangijzers die uit de halszaken direct afgeleid kunnen worden: opvang asielzoekers, ongelijke verdeling van welvaart, milieumaatregelen, diversiteit en identiteitspolitiek, opkomend rechts en links populisme, het beteugelen van desinformatie en complotonzin. 

Zijn er regels voor een ‘goed debat’? Natuurlijk zijn die er**. Simpele, zoals elkaar laten uitspreken, de verplichting een standpunt alleen met valide argumenten te verdedigen, en daarop alleen ter zake te reageren, niet op de man maar op de bal spelen, geen argumenten verzwijgen, duidelijke ondubbelzinnige taal gebruiken. En meer ingewikkelde debatregels: geen drogredeneringen gebruiken (zoals slippery slope, stroman, speculeren op medelijden en publieke sentimenten, valse analogieën gebruiken, oorzaak-gevolg omdraaien, en vele andere). Je moet er in getraind zijn om drogredenen uit een debat te willen houden. Dat is hogere schoolwerk*** dat een hoge mate van debatintegriteit eist en een attitude die niet gericht is op ‘scoren’ maar op het gezamenlijk koppig blijven zoeken naar het oplossen van een meningsverschil. Zoiets zie je zelden.

Concluderend: het publieke debat bestaat niet of nauwelijks. Noch voor de individuele burger, noch voor zijn vertegenwoordiger. De individuele burger kan alleen op de bank ‘de voors en tegens’ passief consumeren en als ie het echt zat is de straat op gaan. De vertegenwoordigers, zowel die van de ‘passief consumerende burger’ als die van de ‘actief politieke machtspartijen’, missen de debatvaardigheden en debatdiscipline waar de burger nog een voorbeeld aan zou kunnen nemen. 

Wat overblijft is een algehele publieke sfeer van oplopende vage onlust, chaos, wantrouwen in de overheid en een anti-autoritaire houding tegen alles wat en iedereen die ooit gezag had (de politiek, de wetenschap, de rechtsspraak, de media, de politie). Het publieke debat, dat een ventiel zou moeten zijn, is een pomp geworden, voor vooral militante, anti-autoritaire burgers. 

Was dat in onze democratische historie ooit anders? Jazeker. Een mooi voorbeeld daarvan is hoe burgers en bestuurders al in de vroege 14e eeuw omgingen met de bescherming van de publieke gezondheid****. Daarover een volgende keer meer.

* B.v.: ‘Argumentatie’; F.H. van Eemeren & F. Snoeck Henkermans, 2016. Een klassieker in de argumentatieleer.

** Sommige middelbare scholen bieden ‘debatvaardigheden’ aan. Op academisch niveau bestaat er een lange traditie: debattrainingen, debatclubs, retoriekcolleges, debatwedstrijden, etc. Vooral in Engeland (de oudste parlementaire democratie; 350 j.) ontwikkelde zich een bloeiende ‘parlementaire debatstijl’ die inmiddels wel aan een forse erosie onderhevig is (Orderrrr!!!). De debatverruwing in het Nederlandse parlement is ongetwijfeld een gevolg van het verloren gaan van debatscholing en de handhaving van debatregels. 

*** ‘De stromende stad. Publieke gezondheid in de middeleeuwse Lage Landen’; J. Coomans,  Madoc, Tijdschrift over de Middeleeuwen, 2018, nr 3. Fraai historisch onderzoek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *