De vijanden van de vrije wetenschap (slot): Overheid en Politiek

Tot slot van deze serie bespreken we de opstelling van de overheid en de politieke partijen. Allereerst de Overheden.

Aziatische overheden hebben de wind eronder bij het volk en bij hun geknevelde wetenschappers die bij het eerste de beste dissidente geluid ontslagen worden of ‘verdwijnen’. Van hen heeft de Staat niets te vrezen. Zelfs uitgeweken Chinese wetenschappers zullen zich niet al te kritisch uitten want ze ‘hebben nog familie thuis’. Het is eerder zelfs in hun persoonlijk voordeel dat zij zich enigszins kritisch opstellen naar hun westers gastland ‘dat nog wat kan leren van de oosterse groepsgeest, dat westerlingen hun overgewaardeerd individualisme en arrogantie weer zou moeten afleren’.

Aziatische wetenschappers kunnen in binnen- en buitenland prima wetenschappelijk onderzoek doen, meedoen in de wereldwijde scientific community, maar ze blijven begrijpelijkerwijs niet erg betrouwbaar in het uitten van de politieke consequenties van hun onderzoek (niet allemaal natuurlijk, dat snap je ook wel). Ook in niet-Aziatische zgn. democratische landen is sprake van surveillance en suppressie van wetenschappers die ’staatsgevaarlijk’ zouden zijn (bijv. nog onlangs werd in Argentinië een formeel onderzoek ingesteld naar ex-president Macri die over een lijst met 400 namen van wetenschappers, journalisten en zakenmensen zou beschikken, opgemaakt door zijn inlichtingendienst). Men mag redelijkerwijs aannemen dat in alle oligarchische, autocratische en dictatoriale landen (Sovjet-Unie, Iran, Turkije, Saoedi-Arabië, N-Korea, etc.) wetenschappers aan de teugel van veiligheidsdiensten lopen. In hoeverre in het vrije westen (tech)wetenschappers onder druk staan laat zich raden.

Westerse overheden hebben het moeilijk omdat ze binnen het democratische model moeten omgaan met een grote variatie aan politieke opvattingen die in feite voortkomen uit de eerdergenoemde mistige mens/wereldbeelden die op hun beurt weer samenhangen met wel of niet gedeelde waarden en normen. Politiek is uiteindelijk toegepaste ethiek die in niet-democratische landen eenduidig en met geweld kan worden afgedwongen, terwijl in democratische landen voortdurend moet worden onderhandeld zonder geweld. Dat is nu eenmaal de zwakte van een democratie: rekening houden met alle maatschappelijk aanwezige tribale waarden en normen, met als gevolg consensus-zwakte, een gebrek aan slagkracht, doortastendheid en moeheid bij de kiezer. Bovendien moet rekening gehouden worden met vooral de ongrijpbaarheid van machtige economische- en financiële spelers op de vrije wereldmarkt. Zowel politici als ondernemers zullen er niet graag een potentieel zeer machtige speler, de wetenschappelijke wereld, bij willen hebben. 

Zonder politiek activisme door wetenschappers zal dat mi. ook niet veranderen. Zonder politiek activisme van wetenschappers zal een ‘socialisering van de economie’, het hard politiek sturen op een welzijns-, vergroenings- en verduurzamingsindustrie (in plaats van op louter materiële welvaart door ongelimiteerde economische groei) naar mijn mening niet gaan plaatsvinden. Men mag hopen dat de scientific community zijn nog nooit eerder in de geschiedenis vertoonde (geo-) politieke rol op zich gaat nemen. Dat experiment lijkt zeer de moeite waard.

Politieke partijen hebben wetenschappelijke kennis nodig om hun basis-ideologie duidelijk te maken, te onderbouwen, te legitimeren. Ze putten daarbij uit diverse bronnen al naar gelang het beleidsonderwerp: hun eigen wettelijk verplichte wetenschappelijke bureaus, overheidsinstellingen (CPB, CBS, WRR, Gezondheidsraad, RIVM) en andere zgn. onafhankelijke wetenschapsbureaus. Hun taak is telkens dezelfde: de kloof tussen de politiek en de wetenschap overbruggen. Dat maakt onmiddellijk de positie van de wetenschappers in die bureaus duidelijk: ze hebben een taak (beleidsondersteuning), een verantwoordelijkheid (goed wetenschappelijk onderzoek), maar geen bevoegdheid (in politieke macht en beleid). Hun bevindingen en aanbevelingen kunnen genegeerd worden, of ‘aangepast’ worden aan een bestaand politiek beleid, of onjuist/selectief politiek geïnterpreteerd en gemarginaliseerd worden.

Voorbeelden zijn niet moeilijk te vinden: het Schiphol/Lelystad-beleid, het belastingontwijking/ontduikingsbeleid, het groene energiebeleid, het Groninger gasboring/compensatiebeleid, noem maar op. Contra-expertises (volgens het falsificatieprincipe) blijken niet zelden noodzakelijk. Kortom: politieke partijen hebben belang bij wetenschappelijk onderzoek maar niet bij onwelkome uitkomsten of bij wetenschappers met politieke macht.  

Samenvattend, van de drie politieke en economische wereldveldspelers, de arbeids-, kapitaal- en kennisinvesteerders, hebben de laatste nauwelijks besliskracht. En dat is een slechte zaak in een tijdsgewricht waarin er een groot wantrouwen bestaat jegens:

  • de politiek (60% van de Nederlandse bevolking volgens de OESO);
  • de economische en financiële elite die tezamen (ruwweg sinds de jaren 80) een steeds grotere ongelijkheid veroorzaken tussen de extreme vermogensbezitters en de magere salarissen van werknemers in de midden- en lagere  sociale klassen.

Tel daarbij op een groeiend wantrouwen in de media en de overheden, plus de grote zorg ‘of het wel goed komt met onze planeet’ en je hebt een explosief mengsel van maatschappelijk breed gevoelde, negatieve gevoelens. Niet alleen gevoelens van achterdocht maar ook angst, woede, jaloezie, ressentiment, depressie en wraakgevoelens, welke ‘psychopolitiek’ gezien hoogst ongezond en gevaarlijk zijn voor het functioneren van de democratie.  

In het gezondheidsverband zou het mij niets verbazen als er in de VS een relatie bestaat tussen een breed maatschappelijk onlustgevoel en de sinds 2015 geconstateerde verlaging in levensverwachting (die elders in de wereld toeneemt). Die verlaging in levensverwachting wordt onder andere toegeschreven aan de sterke toename van suïcides, drugs- en medicijnoverdosis, opiatenverslaving, vuurwapengeweld, obesitas, lever, hart- en vaatziekten. Men zou ze ‘zelf toegebrachte levensstijlziektes’ kunnen noemen. Levensstijlziektes als gevolg van een politiek/economische virus waar we uiterst dringend een vaccin voor moeten zien uit te vinden. In het verband van het gevaar voor de democratie hoeft men alleen maar de huidige Amerikaanse (Trumpocalyptische) politieke ontwikkelingen te volgen.  

Eindconclusie.

De overspoelende hoeveelheid en diversiteit aan informatie die dagelijks over de burger heen komt, vooral gepolitiseerde, gecommercialiseerde, propagandistische en mis/desinformatie maakt dat de burger in toenemende mate gedesoriënteerd in de wereld komt te staan. Die chaotische toestand heeft een grote impact op de volksgezondheid, de politieke stabiliteit, het economische systeem, het functioneren van de media en de ecologische overlevingskans van de aarde. Nieuwe ideeën zijn nodig om te ontsnappen aan deze cognitieve en bijgevolg emotionele verwarring van burgers en om het vertrouwen in politici en politieke beslissingen terug te winnen. Mijn idee is om empirisch wetenschappelijke- en technologische kennis als relevante informatiebron en uitgangspunt van denken en handelen sterk op te waarderen.

Burgers hebben er alle baat bij en recht op dat hun bestaanstoekomst gebouwd wordt op de beste empirische kennis beschikbaar, op grond waarvan politieke en economische besluiten genomen kunnen worden die leiden tot hun welzijn en dat van de planeet.

De empirische en technische wetenschappen beschikken in principe over de best beschikbare kennis. Als men die kennis ten volle wil benutten zal er een nieuw soort wetenschapper moeten opstaan: de wetenschappelijke politicus. De (wereld)burger en vooral zijn kinderen, op hun Aarde zouden een politiek experiment kunnen aangaan door een beroep te doen op de empirische en technische wetenschappers om hun waardigheid, gezondheid, veiligheid, welzijn en de overleving van de Aarde veilig te stellen.         

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *