De vijanden van de vrije wetenschap (2)

Wetenschappers zijn nergens ter wereld politiek vertegenwoordigd in zoiets als een Partij voor de Wetenschappen. Vreemd eigenlijk, want het domein wetenschap en technologie dat testbare waarheidsvinding, kennis en ervaring als kernwaarden in het vaandel heeft staan, is bij uitstek het domein dat in elke samenleving onontbeerlijk is geworden. En zeker in dit tijdperk waarin de overleving van de planeet van wetenschap en technologie zal afhangen. Wetenschap en technologie zitten in de haarvaten van ons dagelijks leven, en juist dat domein kent geen economische en politieke macht. Sterker nog, wetenschap en technologie lijken systematisch ondergeschikt te worden gehouden aan het neoliberale marktmechanisme en aan alle bestaande wereldpolitieke stromingen.

Neem een definitie van politieke stroming: een ideologie, die bestaat uit een samenhangend geheel van opvattingen en wensen over de inrichting van de samenleving. Wel, empirische wetenschap heeft in een zeker opzicht een ingebouwde ideologie: het streven naar de best mogelijke kennis en de technologische toepassing daarvan op de meest belangrijke levensgebieden zoals volksgezondheid en welzijn, en ecologische bescherming van de leefomgeving. Alleen zou ik het geen ideologie noemen maar een streven naar een wetenschappelijke consensuscultuur op grond van de best beschikbare empirische kennis.

Een belangrijk verschil tussen een ‘wetenschappelijke politiek’ (als die zou gaan ontstaan), en de gangbare politiek (de sociaaldemocratische, de neoliberale, links en rechts populistische, alsmede de groene politieke stromingen) is dat ‘wetenschappelijke politiek’ niet als uitgangspunt een onderliggend mens/wereldbeeld cq. ideologie hanteert maar empirische kennis omtrent de wereld. Haar uitgangspunt zou kunnen zijn: ‘datgene wat in de wetenschappelijke wereld in consensus is geaccepteerd als hetgeen dat blijkt te werken ten gunste van de mens en de ecologische omgeving waarin hij leeft’. En niet: ‘wat volgens een politieke of economische ideologie X juist is’. 

Dat neemt niet weg dat wetenschappers best een mens/wereldbeeld kunnen hebben maar dat zal altijd van een ondergeschikte en van even schimmige aard zijn als alle essentialistische mensbeelden (bv. de mens is vooraleerst een uitzonderlijk rationeel wezen met een uitzonderlijke verbeelding, of zoiets). Waarom zouden empirische wetenschappers en technologen niet in staat zijn om hun bevindingen naar een politiek beleid te vertalen? Natuurlijk kunnen zij die vertaalslag maken, zeker als zij daarbij geholpen worden door andere, alpha en gamma wetenschappers, zoals economen, meteorologen, biologen, medici, informatici, wiskundigen, sociale wetenschappers, filosofen, ethici, etc. Wordt het dan niet tijd dat er zoiets als ‘wetenschappelijke politiek’ tot stand wordt gebracht? Een nieuw soort speler in het politieke veld?! Een speler die weigert te spelen in een links-rechts politiek spel.

Een aantal vragen doemen op. Waarom is het wetenschapsbedrijf nooit uitgegroeid tot een politieke macht? Waarom hield de politiek altijd vast aan een onderliggend vaag en divers mens/wereldbeeld in plaats van zich op empirische kennis als pijler van handelen in de wereld te baseren? Waarom heeft de wetenschap zich altijd ondergeschikt gehouden en laten gebruiken door de politiek? Zijn er aanwijzingen dat politieke en maatschappelijke machtsspelers er belang bij hebben de wetenschap op een gepaste afstand te houden? Wat dit laatste betreft: zeker wel. Er is overmatig bewijs dat wetenschappers een publicatieverbod kunnen krijgen, dat hun uitspraken op social media verwijderd worden, dat ze niet zelden een spreekverbod krijgen, dat hun onwelvallige onderzoeksresultaten bewerkt of gecensureerd worden, dat ze ad- hominem publiekelijk worden aangevallen, afgeluisterd, gechanteerd, ontslagen of erger. Wie zijn die vijanden van de vrije wetenschap? Ze werden in blog (1) genoemd; in blog (3) meer hierover.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *