Vitaal beroep of bedrijf: Ikke ook!

Toen wij nog jagers/verzamelaars waren had iedereen een ‘vitaal beroep’. Je had jagers (vnl. mannen) en voedselverzamelaars (vnl. vrouwen) kinderverzorgers (vnl. v.), soldaten (vnl. m), bestuurders/rechters (stamhoofden, vnl. oudere m.), dokters (sjamanen/medicijnmannen), werktuig-, gereedschap- en kledingmakers (m. en v.), wetenschappers (jacht- en natuurkennis, verhalenvertellers over stamgeschiedenis en cosmologie).

Iedereen die niet praktisch bijdroeg aan de overleving van de stam, die niet mee kon doen aan de voedsel- of veiligheidsvoorziening, dwz. chronisch zieken, de dodelijk gewonden, zwaar gehandicapten, die gingen dood, werden gedood of doden zichzelf. Het waren generalisten in het overleven. Pas na de Neolithische revolutie bij het ontstaan van de agrarische culturen kwamen de specialisten. En na 10.000 jaar beroepsspecialisatie komen er nog steeds meer specialisten bij zodat je vandaag de dag kunt promoveren op de derde regel van een Shakespeareaans sonnet. 

In tijden van Corona worden we weer behoorlijk teruggedrukt op die oude, fundamentele overlevingsformule voor veiligheid en voedsel. Weliswaar in een afgeleide, complexere vorm daarvan maar er kwam wel een overheidslijstje van cruciale beroepen en vitale bedrijven. Precies zoals bij de tribale jagers/verzamelaars die bij een directe externe bedreiging van hun clan (een aanval van een andere clan op zoek naar voedsel, slaven, vrouwen; het dreigend verlies van jachtgronden) hun soldaten voorop stuurden terwijl de andere clanleden zich koest hielden totdat het gevaar geweken was.   

En zo kregen wij onlangs een tweedeling in de samenleving: zij die er nu even echt toe doen en zij die er nu even niet echt toe doen. Niet leuk voor de NETD-ers (niet echt toe doeners). Ineens daal je in de pikorde, in je vermeende status en je inkomen. En daar sta je dan, als gevierde topsporter, mannequin, singersongwriter, 1e violist, als beroemde chefkok, hairstyler of cabaretier, als bekende royaltywatcher, roddeljournalist of andere BN-ér. Plotseling in de eindeloze rij van vielzuvielen, onrendabelen en overbodigen. 

En dan heb je nog de gepensioneerden waartoe ikzelf behoor: totaal overbodig natuurlijk en bovendien nog een kwalijke babyboomer ook. Plus een kwalijke overbelasting voor de IC’s (‘nee, u niet, gaat u hier maar even boven het valluik staan meneer’. Geintje). 

Sommige NETD-ers doen erg hun best om hun status (=inkomen) te verhogen door te proberen in de groep vitale beroepen en bedrijven terecht te komen. De kunstenaars: ‘wij geven troost en hoop en schoonheid en cultuur wat juist nu erg vitaal is!’ De amusementsmakers: ‘die helden en die binnenblijvers moeten toch ook de noodzakelijke afleiding en ontspanning krijgen om het vol te houden, wij zijn nu erg belangrijk!’ Bloemisten: ‘wij moeten ook op die lijst, wij dragen bij aan het welzijn en gezondheid van mensen!’ Alle universitaire academici: die claimden een cruciale beroepsstatus maar kregen die uiteindelijk alleen voor docenten afstandsonderwijs en ICT-ers. En ga zo maar door met die -Ikke Ook claims- op cruciale beroepen en vitale bedrijven. 

Ik denk dat die vitaliteitsclaims, onder dekking van een vals volksgezondheids- en veiligheidsargument, gewoon een krampachtige poging zijn het verlies van imago, maatschappelijk aanzien en zelfwaardering tegen te gaan. En het gaat natuurlijk over geld: financiële overheidssteun krijgen, recht op kinderopvang, en straks, na de lockdown, voorrang krijgen bij de toegang tot de arbeids- en ondernemersmarkt.

Die jagers/verzamelaars hadden het toch maar een stuk gemakkelijker. Hun samenleving was noodzakelijkerwijs nogal egalitair, iedereen deed er toe, en men kon zich door het tribale denken en handelen relatief veilig voelen. Maar dat is erg lang geleden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *